Mijn lieve groene vestje

‘Hij is écht wat voor jou’, had mijn vriendin me op het hart gedrukt. het ging over een  zakelijk contact van haar.
Na zoveel mogelijk details over hem te hebben losgepeuterd, besloot ik hem een mailtje te sturen. Twee weken lang mailden we elke dag.

Dan is het zover: onze eerste date. Op het allerlaatste moment kom ik erachter dat mijn favoriete bloemenjurkje gewoon in de kast hangt, maar mijn dito véstje in de wasmand ligt. Uit ervaring weet ik: dit vestje brengt me altijd geluk. Hoe moet dat nou? Snel doop ik het in een emmer sop, terwijl ik mijn hersens kraak over hoe het op tijd droog te hebben. De droger van een buurvrouw? Is er niet. Föhnen dan? Duurt te lang. Gelukkig blijkt m’n vriendin een droger te hebben.
Ik pak m’n fiets en sjees naar haar toe.
Bij haar aangekomen – mijn trouwe vestje stevig onder m’n arm geklemd – denk ik bezorgd.
Wat als het nou niet op tijd klaar is? Of er in miniformaat uit komt? Ik besluit ’t toch maar zelf te drogen en ga terug naar huis. Dat wordt heel hard rondjes rennen ermee, als een getrainde torero.
Alsof ik daar tijd voor heb.
Thuis hang ik het aan het open raam en spring onder de douche. Na mijn uitgebreide beautysessie zal het toch wel droog zijn?

Als ik onder de douche vandaan kom blijkt mijn groene lievelingsvestje er niet meer te hangen! Met m’n adem in kijk ik in de dakgoot. Aan het uiterste puntje van een mouwtje weet ik ‘t nog net te grijpen. Nu is het nat én vies. Ik heb nog een kwartier. Met het zweet op m’n voorhoofd föhn en wapper ik tot ik een ons weeg. Wat een gedoe. Waarom eigenlijk? Misschien is hij wel helemaal niet leuk. Ik wurm het klamme ding over m’n jurkje, glos m’n lippen en stap vol goede moed op de fiets.
Als ik een paar weken later met mijn vriendin aan de telefoon zit, wend ik even mijn blik af naar buiten. Als vanzelf verschijnt er een glimlach op m’n gezicht. De kledinghanger in de dakgoot herinnert me aan die leuke date, onze eerste ontmoeting. En aan de tweede, de derde, de vierde…

Ik zei toch dat het een succesvestje was.

Advertenties

Gratis lessen over schoonheid

‘Zullen we naar de Burger King gaan?’, vraagt het ene meisje aan het andere meisje.
Haar rode krullen glinsteren in de zon die door het treinraampje naar binnen schijnt. Met haar kleurrijk beschilderde ogen kijkt ze de blondine naast haar verwachtingsvol aan.
‘Weet je wel hoe slecht dat voor je huid is!’, merkt haar buurvrouw op.
Het blonde meisje heeft een flinke laag poeder op haar wangen, in de hoop dat deze haar jeugdpuistjes vervaagt.
‘Ik hoorde laatst dat vis heel goed voor je huid is’, gaat de roodharige verder.
‘Ja, dat heb ik ook gelezen, nu wil ik eigenlijk alleen nog maar vis eten.’
‘Ik eet sowieso al twee keer per week vis. Haring. Dat is echt puur vis.’
Ze trekt een uiterst serieuze blik.
‘Tip’, zegt de ander wijzend in het tijdschrift Mooi van Etos: ‘Gebruik vanaf je 20ste een vochtinbrengende crème.’

Het is dat ik persoonlijk kan bevestigen dat zij zich hier, tegenover mij, in een drukke treincoupé van Amsterdam naar Utrecht bevinden. Zelf hebben ze dat nauwelijks in de gaten, ze gaan op in de wereld van de schoonheid van de vrouw.

Het blonde meisje leest geconcentreerd verder: ‘De meeste mensen gebruiken te veel shampoo. Een theelepeltje is voldoende.’
‘Een theelepeltje?!’, roept de ander verbaasd. ‘Ik gebruik altijd een eetlepel!’
‘Ik een hele hand vol!’
Ze barsten in lachen uit.
‘Dat geldt ook voor tandpasta trouwens, staat hier, één cm is meer dan genoeg’, maakt de blonde haar betoog af.
Bedenkelijk kijken ze elkaar aan terwijl ze de afstand van een cm tussen twee vingers proberen in te schatten.

‘Moet je kijken, deze scrub is niet geschikt voor kinderen onder de drie jaar’, vervolgen de wijze lessen (dit keer zie ik niet wie het zegt, ik ben geïntrigeerd aan het meeschrijven met deze intrigerende dialoog).
‘Ik zou m’n kind echt nooit scrubben. Wie dóet dat nou?’
‘Heb jij meer dan drie zonnebrillen?’
‘Veeeeel meer.’
‘Tel je dan ook H&M brillen mee?’
‘Nee, tuurlijk niet.’
Ik doe mijn best niet hardop te lachen.
‘We kunnen ook sushi gaan eten zometeen?’
‘Ja, vis! Goed voor je huid.’
Tevreden met hun besluit maken ze aanstalten om de trein te verlaten.

Ik haal mijn exemplaar van Mooi uit m’n tas en blader er even in. Dan leg ik ‘m op het tafeltje naast me voor een volgende passagier.
Ik heb ‘m tenslotte al uit.

 

Het meisje en de indiaan

In gedachten verzonken loop ik de trap af in de bibliotheek.
‘Hola!’, klinkt een enthousiaste mannenstem.
Meteen ontwaakt zeg ik hola terug – een ‘hola’ vergt direct mijn aandacht. Al doorlopend kijk ik achterom en ontmoet de vriendelijke donkere kijkers van een getinte man met lange staart.
‘Cómo estás?’
‘Bien’, roep ik lachend, steek mijn hand op en loop verder.
Maar wat hem betreft blijft het hier niet bij. Alsof iemand hem met een pijl in zijn rug heeft beschoten grijpt hij zijn rugzakhendels en rent terug naar beneden.
‘Hablas español?!’ Of ik Spaans spreek. Zijn ogen fonkelen samen met een grote grijns op zijn gezicht.
‘Sí.’

Ik besluit om toch maar even te blijven staan.
Ruim een uur staan we te kletsen op de gang van de bieb. Wat een schatje. Als hij vraagt wat ik ga doen zeg ik dat ik onderweg ben naar ‘la Hema’. Hij stelt voor om mee te lopen. Ik stel voor om koffie te gaan drinken.

Ik voel me op mijn gemak, kijkend in die grote bruine ogen van deze – zo blijkt – Colombiaan. Terwijl het zonnetje schijnt vergeten we de tijd. Zijn levensverhaal intrigeert me, hij draagt flink wat bagage met zich mee. Wat zal er eigenlijk allemaal in zijn rugzak zitten? Zal me niets verbazen als hij ineens zijn panfluit tevoorschijn haalt en een liefdeslied voor me speelt.

Een paar uur later, voor de deur van de Hema wil ik hem gedag zeggen. Maar hij heeft een ander plan: hij gaat mee. Tja, waarom niet? Binnen zeg ik plagerig dat hij als een hond achter me aanloopt (wat ik stiekem heerlijk vind). Quasi boos knijpt hij me zachtjes in mijn zij, waarop ik hem een tik op zijn pet verkoop. We starten een gevecht tussen de paraplu’s.

Precies vandaag, als ik datgene meemaak waarvan ik dacht het nooit mee te maken, heb ik uberhuishoudelijke dingen nodig. Niet gewoon een leuk bh’tje, nagellakje of tasje, nee mijn lijstje zegt: douchegordijn, wekker, afwasteil. Ik ben ook maar een mens. Wat nu, doen alsof ik allemaal hele gave dingen nodig heb?

‘Welke vind jij mooier?’, vraag ik terwijl ik twee douchegordijnen omhoog houd.
Geslaagd, hij kiest de mooiste. Ook bij het uitzoeken van een wekker vallen we voor dezelfde.
Echter bij de afwasteilen ben ik teleurgesteld. Niet in hem, maar ik verwacht van mijn geliefde Hema kleurrijkere gezelligere wasteilen.
‘Ik wil roze met bloemetjes!’, roep ik uit.
Dios mío, wat zeg ik nou? Wat zal hij wel niet denken, dat ik een of andere ama de casa (huisvrouw) ben?
Maar nee hoor, deze indiaan schrikt nergens van. ‘Dan moeten we naar de Xenos!’
Daar sta je dan, in de Hema, met een wildvreemde man uit Colombia, het assortiment wasteilen te bekijken, terwijl hij tipt dat Xenos the place to be is.
Even kijken we elkaar onderzoekend aan, alsof we checken of de ander nog wel samen tijd door wil brengen. Dan bevestigen we het plan met ‘¿Por qué no?’

Onderweg registreer ik niets van wat er om me heen gebeurt. Alleen zijn mooie mond, glinsterende ogen en lange zwarte golvende haar trekken mijn aandacht. Kun je als vrouw voorspellen dat je ooit zo’n mooie man in de bibliotheek tegen het lijf loopt?

Ook Xenos blijkt geen bebloemde teilen te verkopen. Alsof het me nog iets kan schelen. Latino vraagt in zijn beste Engels aan de verkoopster of ze geen bloemen hebben. De schat. Het antwoord is nee. Het had me niet verbaasd als hij nu had voorgesteld om ook nog even bij V&D te gaan kijken.

Nu is het echt tijd om afscheid te nemen. Het is een beetje een situatie à la de film Before Sunrise. Zullen we elkaar nog terugzien na deze bijzondere middag?

Ik zen dus ik ben

Boeddha

Onrust, paniek en twijfels. Waar is mijn stabiele ik gebleven? Mijn zoektocht naar zen en zaligheid stuurt mij van het kastje naar de muur. Het is een heuvelachtig landschap van intense geluksgevoelens afgewisseld met hevige depressiviteit. Van driftige yogaposepogingen naar dansend op een feest met in de ene hand een peuk en in de andere champagne. Proberen stevig te aarden in het nu, resulteert in zweven tussen verleden en toekomst. Vanuit de overweging van een celibatair bestaan stort ik in de armen van een begerenswaardige man. En kan het wat minder met die prikkels alstublieft?
Ik ben diep ongelukkig.

Het is tijd om mijn leven te beteren. Vanaf nu ruil ik die opgefokte koffie in voor rustgevende thee en las ik elke dag een me-time moment in. Ik slaap alleen nog met mannen met wie ik een serieuze relatie wil en ik drink nooit meer te veel. Minstens twee keer per week ga ik me uitsloven in de sportschool en aan deadlines doe ik niet meer mee. Die destructieve gedachten als ik ‘weer eens in de verkeerde rij’ sta, moeten ook eens afgelopen zijn. Ik heb te weinig tijd voor mezelf, en als ik ’s een keer alleen ben, ben ik kapot.
Ik wil wat vaker zijn, in plaats van doen.
Het is tijd voor wat mindfulness in mijn leven.

Ik installeer mezelf op de bank met het boekje ‘Beter nu’, dat ik van mijn vriendin heb gekregen. Alleen al door erover te lezen word ik rustig. Wat een heerlijk vooruitzicht, ik als ontspannen mens, in balans. Ineens zit ik vol inspiratie over hoe mindfulness mijn leven gaat veranderen.

Ik haal een schriftje met ontspanningsoefeningen tevoorschijn, ga op de grond liggen en begin. Gedachten laat ik voorbij gaan als wolkjes, heel rustig. Althans, dat is mijn opdracht. Ze laten komen en gaan, zonder oordeel. Me richten op mijn ademhaling, lage ademhaling.

Ik denk aan die tekst die ik nog moet schrijven. Die had eigenlijk vorige week al af gemoeten. Wanneer moet ik dat in hemelsnaam doen? Van schrik open ik mijn ogen. Voor mijn neus zie ik mijn roze kastje. That reminds me, die wil ik nog schilderen. En ik bedenk me ook dat ik me moet oriënteren op een nieuwe laptop. Terug naar mijn ademhaling. Ik leg een hand op mijn buik. Dat rondje buikje, daar moet ik nodig iets aan doen, straks pas ik mijn lievelingsbroek niet meer en vindt niemand me meer aantrekkelijk. Over mannen gesproken, ik zou die ene leuke man nog terugbellen. IJverig stuur ik de aandacht naar mijn voeten, weg uit mijn hoofd. Mijn voeten zijn ijskoud. Ik moet pantoffels aan, anders kan ik me echt niet ontspannen. Dan zal het lukken, écht. Als ik weer ga liggen prikt er iets in mijn rug. Ik lig op m’n lipgloss. Niet vergeten om zonnebrand te kopen voor m’n reis! Ik vertrek al bijna…de hoeveelste is het eigenlijk? Ik kijk op de klok. Is het al zo laat?! Ik heb helemaal geen tijd om te mediteren!
Als een gek kom ik omhoog, negeer de sterretjes en ren de deur uit.
Mediteren… op vakantie ga ik het opnieuw proberen.

De deur naar het paradijs

Zodra je de deur achter je dicht trekt begint je vakantie. Een mooi cliché. Maar is het ook waar? Geldt dit ook als je op Schiphol aankomt en een chagrijnige grondstewardess je meedeelt dat je vlucht naar Mexico vier uur vertraging heeft?

Ja, ook dan. Mijn vriendin Sarah en ik kunnen er dan ook niet mee zitten. We gaan toch lekker naar Mexico? Nippend aan een cappuccino in de wachthal mijmerend we over de Maya piramides, witte stranden en gepassioneerde vakantieliefdes. Ook maken we ons niet druk om die passagier die niet op komt dagen, waardoor we ook die vier uur te laat niet kunnen vertrekken.

Na een lange reis komen we aan in een dorpje bij Mexico stad. Het blijkt echter íets anders dan we op internet hadden gezien.  ‘O ja’, herinneren we elkaar, ‘vakantie begint zodra je de deur achter je dicht trekt’. Welke deur is dat eigenlijk? Je huisdeur? De deur van de taxi in het vakantieland? Of de wc-deur van dit hostel? Ik doe hem open en weet niet hoe snel ik hem weer dicht moet trekken; kakkerlakken rennen over de vloer en in één oogopslag zie ik de dikke remsporen.

We besluiten de buurt te verkennen. We laten ons een plakkerige ‘Kloep sanwiesh’ aansmeren met waterige koffie. Na een middagje slenteren beginnen we ons toch wel een beetje zorgen te maken. Er is geen koloniaal pand te bekennen, er is bijna niemand op straat en er is niets te doen. En waar is de zon? En al die barretjes die op internet stonden? En die Juan’s en Antonio’s die in dit paradijs zouden flaneren?

De volgende dag besluiten we ’s avonds dit dorpje maar te verlaten. Maar uren rondrijdend in onze huurauto levert om twee uur ’s nachts nog steeds geen hostel op. Wat te doen? Er zit niets anders op dan in de auto te gaan slapen. Ach, het is toch vakantie! We treffen een parkeerplek aan een afgelegen weggetje. Nadat Sarah de auto in het allerlaatste vrije parkeerplekje heeft gemanoeuvreerd, nestelen we ons in ons zalige autostoelbed. Net als we onze ogen willen sluiten ontdekt Sarah een slapende man naast onze linkerdeur, op de grond. Hij kijkt ons boos aan en slaat op tegen het raampje. “Wegwezen!’, piept Sarah paniekerig. Zenuwachtig probeert ze de auto uit deze eigenlijk-niet-parkeerplek te krijgen. We horen we een keiharde knal. We horen het niet alleen, we voelen het ook. Aan het eind van de straat nemen we de schade op. De helft van de bumper zit er nog aan. Zijn we eigenlijk wel verzekerd?

De volgende ochtend laten we onze auto provisorisch repareren bij een kleine garage langs de grote weg. Van de buitenkant zie je er niets meer van. Vol goede moed rijden we richting het zuiden. Oaxaca here we come! Hier moet het dan echt gaan gebeuren. Hier zitten vast een paar mooie Mexicanen op deze twee holandesas te wachten.
Een korte siesta in ons écht fijne hotel, een lekkere lange douche en een koude fles vino brengen ons weer helemaal terug. Dus jurkjes aan (ja, hier schijnt de zon), lippenstiftje op (hier zijn wél mooie mannen) en een lege maag (al 16 tapastentjes gespot); de juiste ingrediënten voor een fantastische avond. Na tien minuten dansen plus een tong en een ‘Mag ik je zoenen?’ in mijn oor, verlaten we de eerste ietwat toeristische bar snel weer. Ik wil ik enkel en alleen Spaanse woorden (en tongen) in m’n oor. In een klein lokaal barretje verderop gaat het beter. Aan het einde van de avond staan we allebei met een donkere god te zoenen.

Als ik de volgende dag met de ochtendzon in mijn gezicht in twee brede armen wakker word, weet ik dat deze Antonio al die moeite waard is geweest. Met een intense grijns op mijn gezicht trek ik zijn voordeur even later achter me dicht.
Is dit soms die deur waar iedereen het altijd over heeft?