Liefhebberij of virus?

Voor een klant beheer ik een vacature voor een secretaresse. Een pittige, slimme secretaresse, die – vanzelfsprekend – foutloos Nederlandse spreekt en schrijft. Ik zou een eerste selectie van de sollicitaties maken. Er zit een aantal toppers tussen. Eén van de dames schrijft dat ze veel ervaring heeft ‘opgelopen’ en dat we ‘aan de hand van haar cv’ meer informatie kunnen lezen (die er vervolgens niet bij zit…).

Een ander licht ze toe dat ze ‘altijd opkomt voor haar eigen mening, nooit tegen alle wind in praat’. Als ik haar een reply stuur met de vraag wat voor een naar virus dat is, ‘ervaring’, laat ze weten dat ze dit niet kan waarderen en of hier soms ‘een addertje achter het gras zit’. Weer een volgende laat weten dat ze secretaresse ‘in hard en nieren’ is. Degene die haar brief persoonlijk komt afgeven vertelt dat ze absoluut geen ‘half negen tot vijf houding’ heeft. Tenslotte beweert iemand dat ze ‘haar hersens op de juiste plek heeft.

Aan het einde van de dag stuur ik een aantal cv’s naar de klant. Ik sluit af met: “Indien u nog vragen hebt, dan hoort u dat uiteraard.” en druk op send. Oeps…!
Als ik hem de volgende dag bel en zeg dat ik het – zoals beloofd – nog zou laten horen of hij nog vragen had, kan er geen lachje vanaf. Iets met karma…

Wat is dat toch met mijn verslaving aan taalcreaties, versprekingen en woordgrapjes? Net als dat ik gek ben op mooie woorden, originele samenvoegingen en prachtige zinsconstructies, geniet ik van ‘foutjes’. Ik ben gek op de taalfantasieën en verfromfraaïngen. Ik kan er helemaal in op gaan, de tijd vergeten. Het is géén leedvermaak, maar ik vind het oprecht grappig. Maar soms komt het misschien verkeerd over, als ik dan lach… Is het misschien stiekem een virus, net als ‘ervaring’?

Advertenties

Taal kent vele vormen

765.jpg

Is het je wel eens opgevallen dat piloten altijd dezelfde stem hebben? Zo’n donkere, zelfverzekerde, zwoele stem. Zouden ze naast het leren wát ze moeten zeggen ook leren hóe ze dat moeten zeggen? Bestaat er zoiets als pilotentaal?
Dit is wat mij zoal bezighoudt tijdens mijn vlucht naar Tanzania.


Als ik in mijn hotel ben, wil ik het thuisfront even sms’en. Helaas lukt dat niet, dus ik vraag of ik gebruik kan maken van een telefoon. De jongen achter de receptie doet driftige pogingen om internationaal te bellen.
“Bizzzzz”, zegt hij en kijkt me een beetje wanhopig aan.
Aha, dat is Swahili-Engels natuurlijk, de lijn is bezet.

De volgende dag ga ik naar het eiland Zanzibar. Een mengeling van Arabische, Indische en Afrikaanse invloeden kleurt het straatbeeld. Een unieke plek op aarde, waar men erin slaagt om ondanks de verschillende religies in harmonie met elkaar samen te leven. Hier spreekt men dezelfde taal: de taal van vrede.

Als we het dan toch continu over taal hebben, tijdens mijn vrijwilligersproject – Engelse lesgeven op een nursery school – praat ik voornamelijk Engels. Niet alleen omdat de kindertjes het anders nooit aanleren, vooral ook omdat ik niet anders kan. Swahili is geen gemakkelijke taal om te leren. Toch moet ik er aan geloven, want ‘hou je mond’ en ‘ga zitten’ zijn handig (lees: hard nodig) om te weten. Gelukkig gebruik ik ook vaak ‘Nzuri sana!’ (Goed gedaan!).

Tegen mij praten de kinderen consequent Swahili. Ik zeg dan in het Engels dat ik er niks van snap. Snappen ze best. Echter, er is één jongetje dat de taalbarrière in de smiezen heeft. Hij is de enige die geen Swahili tegen me spreekt en van mij verwacht dat ik dat doe. Hij tikt me aan en zoekt oogcontact. Dan knikt hij met zijn hoofd, gebaart en kijkt me veelbetekenend aan. Zijn mond houdt hij hierbij stijf dicht. Ik snap hem ook nog!

Zijn er werkelijk woorden nodig om elkaar te begrijpen?
Van de theorie dat communicatie voor 80% uit non-verbale signalen bestaat is hij het levende bewijs.
Op een dag ontdekte ik mooiste woord in Swahili: kilele cha hamu wanachofikia virumbe katika kujamiiana. Ja, dit is een woord. Het bekent orgasme. Nee, dit weet ik niet doordat ik met een grote Afrikaan (of een Afrikaan met een grote) in bed lag en hij vertelde hoe ik ons genot kon uiten in zijn taal. Ik raadpleegde het woordenboek voor de vertaling voor ‘orange’ en stuitte op ‘orgasme’. (Nu zou je denken dat mensen die Swahili spreken vreselijk lang van stof zijn. Valt mee, dit is toevallig een heel lang woord.) Wat opvalt is dat klinkers en medeklinkers in het Swahili eerlijk zijn verdeeld, om en om. Uitzonderingen daar gelaten: heb je gezien dat het laatste woord van orgasme (kujamiiana) maar liefst drie klinkers achter elkaar bevat? Om de extase uit te drukken. De grondlegger van dit woord probeerde hiermee de heftige sensatie aan te duiden. Wat is het Nederlandse woord voor orgasme eigenlijk saai! Het zou toch veel leuker zijn om te zeggen: “Schatje, wat een mega kilele cha hamu wanachofikia virumbe katika kujamiiana!”

Onderweg naar huis ontmoet ik een Tanzaniaanse man in het vliegtuig, die redelijk Engels spreekt. We praten uren lang, lachen enthousiast op de foto die we van ons samen maken. We doen het gewoon, omdat we het leuk vinden. We spreken allebei dezelfde taal, de taal van… gezelligheid!