De Spaanse droom

040_sany0065.jpg

In precies 1 uur en 48 minuten vliegen, word ik – poof – zes jaar terug in de tijd geplaatst. Mijn pony is inmiddels iets langer, mijn wangen iets boller en mijn levenservaring iets breder. En dit keer blijf ik geen drie maanden, maar drie dagen in Barcelona.

Drie dagen Barça betekent voor velen Ramblas, Tapas & Compras en wellicht een bezoekje aan Gaudi’s excentrieke bouwwerken met als toetje een stierengevecht. Maar ik ga off road. Ik slenter door de smalle straatjes omringd door hoge grijsbruine gebouwen, waar balkonnetjes volhangen met kledingstukken afkomstig uit de hele wereld; sokken van een Braziliaan, een broek van een Chinees en een jurkje van een Hollandse, je weet het nooit in deze smeltkroes van culturen. Genietend van de Spaanse zon passeer ik kleine kunstgalerietjes, zwaai ik naar kromlopende vrouwtjes in hun typische gebloemde ‘nachtjapons’, bestel ik zoete Churros in een cafeetje en maak ik een praatje met een oud mannetje verstopt achter zijn zelfgebouwde fruitstellage. 

Waarom ben ik hier niet gebleven? Echt  gaan wonen?

‘Vamos!’, zegt de ene politieagent de andere aanstotend, en zonder blikken of blozen steken ze samen met mij het zebrapad over, terwijl het rode stoplichtmannetje ons streng aankijkt. Daarom hou ik zo van Spanjaarden, ze zijn eigenwijs en eigenzinnig. Als enige plaatsen ze vraag- en uitroeptekens aan het einde én het begin van een zin, ze vertalen ieder woord naar hun eigen taal en crisis of geen crisis: de winkels zijn gewoon tot tien uur open, want kopen zullen we en hip is hoe we er uit moeten zien. Zowel mannen als vrouwen met halflang donker en extreem korte pony in casual alternatieve kleding stereotyperen het straatbeeld.

Waarom verhuis ik niet naar deze stad? Een scheut van opwinding gaat door me heen. ¿Por qúe no?
Ineens heb ik behoefte aan iets vertrouwds, iets bekends van die goeie ouwe tijd. Een veilige haven. Ik besluit Pedro, een oude vlam, op te zoeken. Ruim twee maanden waren we bij elkaar toen ik hier studeerde. Hij fantaseerde altijd over een toekomst in Nederland. Maar toen ik eenmaal vertrokken was, verwaterde het contact.

Met vlinders in mijn buik pak ik de metro richting ‘Port Vell’ – dat niet voor niets veilige haven betekent – en bel aan bij de met stickers beplakte rode deur, die allerlei herinneringen oproept.
‘Sí?’, kraakt er door de intercom.
‘Hola, woont Pedro hier nog?’
‘Un momento.’
Boven me klinkt gestommel. Ik kijk omhoog, waar ik een donkere jongen ontmoet die nonchalant over het balkon leunt.
‘Pedro Juarez?’
‘Ja!’, antwoord ik opgewonden.
Hij kent hem! Zal Pedro veranderd zijn? Zullen we nog steeds hetzelfde voor elkaar voelen? Ik wist wel dat we voor elkaar bestemd waren en samen een sagrada familia zouden stichten.
De jongen trekt een brede grimas.
‘Pedro woont hier niet meer, die woont in Nederland.’

Ik schreef dit verhaal voor het blog van KLM Royal Dutch Airlines.

Advertenties

De deur naar het paradijs

Zodra je de deur achter je dicht trekt begint je vakantie. Een mooi cliché. Maar is het ook waar? Geldt dit ook als je op Schiphol aankomt en een chagrijnige grondstewardess je meedeelt dat je vlucht naar Mexico vier uur vertraging heeft?

Ja, ook dan. Mijn vriendin Sarah en ik kunnen er dan ook niet mee zitten. We gaan toch lekker naar Mexico? Nippend aan een cappuccino in de wachthal mijmerend we over de Maya piramides, witte stranden en gepassioneerde vakantieliefdes. Ook maken we ons niet druk om die passagier die niet op komt dagen, waardoor we ook die vier uur te laat niet kunnen vertrekken.

Na een lange reis komen we aan in een dorpje bij Mexico stad. Het blijkt echter íets anders dan we op internet hadden gezien.  ‘O ja’, herinneren we elkaar, ‘vakantie begint zodra je de deur achter je dicht trekt’. Welke deur is dat eigenlijk? Je huisdeur? De deur van de taxi in het vakantieland? Of de wc-deur van dit hostel? Ik doe hem open en weet niet hoe snel ik hem weer dicht moet trekken; kakkerlakken rennen over de vloer en in één oogopslag zie ik de dikke remsporen.

We besluiten de buurt te verkennen. We laten ons een plakkerige ‘Kloep sanwiesh’ aansmeren met waterige koffie. Na een middagje slenteren beginnen we ons toch wel een beetje zorgen te maken. Er is geen koloniaal pand te bekennen, er is bijna niemand op straat en er is niets te doen. En waar is de zon? En al die barretjes die op internet stonden? En die Juan’s en Antonio’s die in dit paradijs zouden flaneren?

De volgende dag besluiten we ’s avonds dit dorpje maar te verlaten. Maar uren rondrijdend in onze huurauto levert om twee uur ’s nachts nog steeds geen hostel op. Wat te doen? Er zit niets anders op dan in de auto te gaan slapen. Ach, het is toch vakantie! We treffen een parkeerplek aan een afgelegen weggetje. Nadat Sarah de auto in het allerlaatste vrije parkeerplekje heeft gemanoeuvreerd, nestelen we ons in ons zalige autostoelbed. Net als we onze ogen willen sluiten ontdekt Sarah een slapende man naast onze linkerdeur, op de grond. Hij kijkt ons boos aan en slaat op tegen het raampje. “Wegwezen!’, piept Sarah paniekerig. Zenuwachtig probeert ze de auto uit deze eigenlijk-niet-parkeerplek te krijgen. We horen we een keiharde knal. We horen het niet alleen, we voelen het ook. Aan het eind van de straat nemen we de schade op. De helft van de bumper zit er nog aan. Zijn we eigenlijk wel verzekerd?

De volgende ochtend laten we onze auto provisorisch repareren bij een kleine garage langs de grote weg. Van de buitenkant zie je er niets meer van. Vol goede moed rijden we richting het zuiden. Oaxaca here we come! Hier moet het dan echt gaan gebeuren. Hier zitten vast een paar mooie Mexicanen op deze twee holandesas te wachten.
Een korte siesta in ons écht fijne hotel, een lekkere lange douche en een koude fles vino brengen ons weer helemaal terug. Dus jurkjes aan (ja, hier schijnt de zon), lippenstiftje op (hier zijn wél mooie mannen) en een lege maag (al 16 tapastentjes gespot); de juiste ingrediënten voor een fantastische avond. Na tien minuten dansen plus een tong en een ‘Mag ik je zoenen?’ in mijn oor, verlaten we de eerste ietwat toeristische bar snel weer. Ik wil ik enkel en alleen Spaanse woorden (en tongen) in m’n oor. In een klein lokaal barretje verderop gaat het beter. Aan het einde van de avond staan we allebei met een donkere god te zoenen.

Als ik de volgende dag met de ochtendzon in mijn gezicht in twee brede armen wakker word, weet ik dat deze Antonio al die moeite waard is geweest. Met een intense grijns op mijn gezicht trek ik zijn voordeur even later achter me dicht.
Is dit soms die deur waar iedereen het altijd over heeft?