Het Colombiaanse leven – Eten, bidden en… dansen

In Colombia is iedereen verslaafd aan coke, er wordt dagelijks een onschuldige ziel voor je neus doodgeschoten en niemand is te vertrouwen. Dat is zo ongeveer het beeld dat veel mensen hebben van dit Zuid-Amerikaanse land. Terecht? Ja en nee. Het land heeft vele gezichten en er is veel ellende, criminaliteit en corruptie. Maar haar inwoners zijn ongelofelijk vriendelijk, inventief & positief, de natuur is adem-bene-mend en als je het mij vraagt kan je nergens (behalve in Cuba) zo heerlijk dansen als in Colombia. 

De slogan van het toeristenbureau speelt slim in op de heersende angst voor het land: El unico riesgo es que te quieras quedar. Het enige risico is dat je wilt blijven. Klopt. Want je raakt gemakkelijk bevriend met de lieve mensen, merkt dat die onschuldige zielen gepassioneerd léven en ontdekt al snel dat de meeste mensen gewoon te vertrouwen zijn. En anders heb je altijd nog de optie: bidden. Want katholiek zijn ze, de Colombianen! De uitdrukking Gracias a Dios (godzijdank), vliegt je om de oren.

Salsa, salsa, salsa
Het begon allemaal met een kop koffie op een zonnige patio in een van de smalle straatjes van San Antonio in Cali. Een pittoresk, koloniaal wijkje, midden in deze vieze en drukke industriestad. Naar Cali ga je dan ook niet voor de schoonheid van de stad, maar voor de salsa. Want naast rook van alle fabrieken, ademt Cali de hele dag salsa; in de supermarkt, in de taxi, op straat, bij de apotheek, overal. En dat is precies de reden dat ik hier ben.

Als je je een jaar in een land wilt settelen, moet je nieuwe gewoontes, moves en woorden aanleren

Todo está aquí
Op mijn aankomstdag vertelt Claudia, bij wie ik een kamer huur, me onder het genot van die koffie alles over de beste salsascholen in de buurt. Claudia heeft haar huis deels verbouwd tot B&B. Zo ontmoeten wij – de Colombiaanse Camilo, Duitse Robert, Amerikaanse Steve en ik – dagelijks niet alleen vrienden en familie van Claudia, maar ook reizigers uit alle hoeken van de wereld met wie we etend, filosoferend en dansend de patio delen. Ik voel me al snel thuis. San Antonio is een rustige, mooie, kleurrijke vlek in een rommelige stad. Deze misschien 10 blokken grote wijk voelt als een dorp; je haalt je groente en fruit bij vrolijke Manuel (alleen al voor de wonderlijke vruchten moet je naar dit land), luncht traditioneel bij El Zaguan (in Colombia eet je ’s middags warm), drinkt koffie bij Cafe Macondo (goede koffie is niet makkelijk vindbaar, de beste bonen worden geëxporteerd) en belt aan bij dokter John als je acetaminofen nodig hebt (de Colombiaanse paracetamol). Lekker overzichtelijk. Alleen als je naar een supermarkt wilt, moet je ‘naar de overkant’. Zo zijn de Britse Caroline en ik het gaan noemen. Want daar is het rauwe Cali. Sinds ik haar ontmoette, gaan we elke vrijdag de loopbrug over voor onze grote boodschappen – en een nieuw salsajurkje natuurlijk – om het centrum vervolgens de rest van de week te vermijden. Het is er vol en vies: drukke straten met toeterende auto’s gitzwarte rook uitpuffend, krioelende mensen voor en achter kraampjes volgestouwd met koopwaar. Geen mooie inheemse producten, maar kunststof schoenen voor 2.500 Pesos (1 Euro) en magische crèmes die je rondingen ronder zouden maken. Het is om gek van te worden, en toch heeft het iets, dit soort plekken. Voor een kwartiertje. Je zou het namelijk net zo goed authentiek kunnen noemen.
Ook als je naar een salsaclub wilt moet je San Antonio verlaten. Gelukkig maakt salsadanser Ricardo regelmatig een tussenstop bij Café Tostaki (een snel uitgesproken Todo está quí, ‘Hier ontbreekt niets’) om las dos Carolinas op te halen voor een dansje  – zo noemen ze ons hier.

Go local
Als je je een tijdje in een land wilt settelen, moet je nieuwe gewoontes en woorden aanleren. Zo legt Claudia me uit dat je nooit je tas op de grond moet zetten. ‘Brengt ongeluk!’ Camilo leert me Colombiaanse woorden, zoals bacano (gaaf, cool), parcero (vriend, maatje) en vaina (ding, manier) en dat je bij wijze van hoe-gaat-ie ‘Qúe más?’ zegt (letterlijk: ‘Wat nog meer?’). Volgens huisgenoot Steve (en volgens de boekjes) wonen in Cali de mooiste vrouwen van het land. Ze zijn prachtig, zeker, maar helaas met veel chirurgisch aangebracht billen en borsten. Tenslotte heeft Robert me ook iets te leren: zelfs in San Antonio verkopen ze zuurdesembrood. Belangrijk voor een Duitser natuurlijk. De rest van de Colombiaanse gewoontes rijmen perfect met de Latijns-Amerikaanse cultuur, dus ik hoef niet meer te oefenen met niet-zo-stipt-op-tijd komen, een zoen in plaats van een hand bij ontmoetingen en niet te direct zijn.

‘Gracias a Dios’, denk ik – om mijn blijdschap op de nationale manier uit te drukken :)

Ontmoeting
Op een willekeurige donderdag lig ik lekker heen en weer te wiegen in de hangmat in de namiddagzon op de patio. En dan is daar een fotograaf uit Bogotá. Met zijn zwarte krullen en diepbruine ogen gaat hij tegenover mijn hangmat zitten. Terwijl hij zijn doordringende blik geen seconde loslaat, kletsen we totdat het donker wordt. Ik heb al snel door dat hij geen ‘standaard Latino’ is. Latijns-Amerikaanse mannen zijn nu eenmaal vaak vrouwenversierders, zo worden ze opgevoed. Maar deze man lijkt anders. Hij is alternatief. Géén gladde praatjes, maar een serieus gesprek. Hij heeft gestudeerd, ownt zijn eigen fotostudio, luistert naar muziek búiten zijn continent en weet meer van kunst, geschiedenis en de wereld dan een gemiddelde wetenschapper.

Dus ik app:
– Caro, ik neem vanavond iemand mee. 21.00 uur bij Tostaki?
– Can’t wait!

Om 21:10 uur houdt hij de zware, houten voordeur voor me open, die ik zoals altijd dubbel op slot draai met de even zo zware sleutel. Er waait een zwoel briesje, vol belofte. Deze avond gaan we met een groepje mensen naar Topa Tolondra, een van mijn favoriete salsaclubs: zo’n oude, donkere tent, vol met foto’s van beroemde salseros aan de afgebrokkelde stenen muren, waar de hele nacht wordt gedanst. De fotograaf blijkt hij niet zo’n salsadanser te zijn zoals de meeste mannen uit deze regio. Dat komt door zijn roots in Chiquinquira, een klein dorpje, waar ze meer folklore dansen dan salsa. Ik besef dat dat maakt tot wie hij is; niet zo’n versierder zoals de Caleños, de mannen uit Cali. ‘Gracias a Dios’ denk ik – om mijn blijdschap maar op de nationale manier uit te drukken :)

Cali of Bogotá?
Als hij de volgende dag vertrekt, zwaai ik de gele taxi na totdat hij om de hoek van de straat verdwijnt. Zal ik hem ooit nog zien? Zodra ik in de hangmat ben genesteld, komt Claudia aangesneld: ‘Komt hij nog terug?’ Dezelfde avond heb ik een uitgebreide mail van hem en twee weken later pakt hij het vliegtuig naar Cali. Een maand daarna opnieuw. We eten smeuïge muffins bij Zahavi, kijken oude films bij Macondo, bezoeken het filmmuseum Caliwood, slenteren door de straatjes van San Antonio en dansen bij Tin Tin Deo, Zaperoco, Topa en Las Brisas. Wie weer zoek ik hem hierna op in Bogotá.

Advertenties

Boek: Streets of the world

Fotograaf Jeroen Swolfs reisde zeven (!) jaar over de wereld en stelde dit waanzinnig mooie boek samen met uit 195 hoofdsteden één foto. Ja één. Hoe leg je in vredesnaam een hoofdstad vast in één beeld? Hij pretendeert geen ‘compleet’ beeld te geven, het gaat hem om het delen van een straatbeeld. Want zoals hij het ziet: op straat gebeurt het.

Op straat komt alles samen. Op straat is het echte leven. Rijk en arm, jong en oud, iedereen versmelt op die ene plek. Daar ben ik het helemaal mee eens! Tijdens mijn reizen voelde ik me altijd het meest geïnspireerd op straat, tussen de locals, middenin de chaos, in het dagelijkse leven. In de ‘gewone’ (woon)wijk heb ik altijd de meeste interessante spontane gesprekken met oude mannetjes, eet ik de meest unieke snacks gewikkeld in de nationale krant en voel ik me het meest onderdeel van.

Ineens vraag ik me af wanneer ik voor het laatst de grens ben over gegaan…

Streets of the world echt een boek om van te houden. Groot en zwaar, met linnen gebonden. De cover bestaat uit vele vlaggen, die je lijkt te kunnen voelen. Persoonlijk vind ik het jammer dat er geen mooie, kleurige, rommelige, levendige (liefst Latijns-Amerikaanse) straat op de cover staat. Waarschijnlijk kon Jeroen geen keuze maken. Snap ik wel. Hij mocht per land ook al slechts één foto kiezen voor ín het boek.

Wat ik mooi vind aan Schwolfs’ stijl is dat zijn foto’s rauw zijn. Echt. Grof materiaal. Het gaat niet om het perfecte plaatje met de mooiste mensen/gebouwen/pleintjes en de meest creatieve kunstzinnigste effecten, maar om het delen van wat hij heeft gezien. Niets meer, niets minder. Ik hou van dit soort fotografie; ogenschijnlijk spontaan geschoten beelden, van een alledaags moment. Je hebt het gevoel dat je er zo in kunt stappen. Ook ik wil even in de rij staan bij een clubje leerlingen in Argentinië, mee-feesten met een groep dansers in Laos en vers fruit proeven op een typisch Afrikaanse markt. Juist omdat Jeroen geen focus legt op de schoonheid of een toeristische trekpleister, ben je er écht bij. In dat land, waar hij was. Dat maakt het een inspirerend en prikkelend boek.

Streets of the world is niet alleen ter inspiratie, maar ook ter informatie. Bij iedere foto, bij ieder land, staat allerlei leuks, zoals: met welk street food stil je je honger – want op straat wordt gegeten! – welke religies worden er beoefend en welke etniciteiten zijn er. Een zwaar boek, met een luchtige boodschap: reis, kijk en wees nieuwsgierig! Gewoon on the streets (of the world). Een heerlijke, dikke pil om je uren mee te vermaken, dromend over waar je volgende reis naartoe zal gaan…

Titel: Streets of the world
Auteur: Jeroen Swolfs
ISBN: 9789089897459
Prijs: € 39.95
Uitgeverij: Terra Lannoo

Bolivia belivia

IMG_0413

Waar armoede is, is gevaar. Dat weet iedere doorgewinterde reiziger. Waar armoede is, zijn leugens. Ook dat weet je als reiziger. Maar persoonlijk zijn we er altijd heilig van overtuigd dat wij niet vallen voor kletspraat van arme locals die geld willen verdienen. Toch?

Zelfs niet in Bolivia, het armste land van Zuid-Amerika, waar ik samen met een Zwitsers verliefd stelletje nog helemaal high ben van een 3-daagse jeeptour over de witte, pure zoutvlaktes van Uyuni. Vanuit ons perspectief is alles en iedereen op dit moment zo puur als het witte zout, dus kopen we vol vertrouwen tickets voor de nachtbus bij een van de Indianenvrouwtjes op het ‘busstation’ (een rij gammele hutjes aan de rand van het dorp waar schreeuwende Bolivianen verfrommelde buskaartjes aan de man brengen). We kiezen voor het vrouwtje met de hardste stem en de zachtste prijs. Vanwege alle spookverhalen check ik nog even de veiligheid: ‘Is het OK om ’s nachts te reizen?’ Haar baby’tje én ons sussend, verzekert ze ons dat de chauffeur ons na een korte pauze op de busterminal van Potosí, waar hij bij ons zal blijven, keurig zal afleveren op de eindbestemming Sucre.
Vamos!

We slaan water en crackers in en wachten geduldig op onze bus. Rugtassen omgedoopt tot buiktassen, geld in onze moneybelt verstopt en zelfverzekerd uit onze ogen kijkend. Bankjes zijn er niet, dus we blijven staan en kletsen wat. Piepende bussen komen af en aan en stromen leeg met moeders met slapende baby’s op hun rug gebonden in prachtig gekleurde doeken. Passerende kinderen staren ons aan met hun nieuwsgierige, chocoladebruine oogjes. Een groepje oude mannetjes bekijkt ons uitgebreid en beginnen te smoezen. Langzaamaan, het is inmiddels donker, beginnen we ons minder op ons gemak te voelen. Is het niet toch beter om overdag te vertrekken? We denken alledrie hetzelfde, maar doen dat ook; we zeggen niks.

Er zijn verder alleen maar locals aan boord, wat zelden een goed teken is in een land als dit.

Uiteindelijk, 1,5 uur later, stopt er een roestig blik voor onze neus met een verfomfaaid papiertje in de vooruit: SUCRE. Het inpakritueel neemt ruim een half uur in beslag: ladingen plastic tassen, een gatenmand met 2 hanen, diverse muziekinstrumenten – alles gaat mee. Een deel wordt op het dak gebonden, al kiezen wij ervoor om onze tassen bij ons te houden. Ik neem plaats in een gerafeld bruin leren stoeltje, naast mijn partners in crime. Ik hou mijn adem in, bang dat het busje bij een zucht uit elkaar zal vallen. Er zijn verder alleen maar locals aan boord, wat zelden een goed teken is in een land als dit. Hun lijkt de stank niet op te vallen, maar ik word een beetje misselijk van de combi van lekkende benzine, een zurige zweetgeur en verbrande rijst.
Vamos!

Na een tijdje hortend en stotend pruttelen wordt de bus tot stilstand gebracht. De chauffeur stapt uit en verdwijnt in het donker. Niemand lijkt zich er iets van aan te trekken, behalve wij verwende reizigers, een vragende blik uitwisselend. De chauffeur moet vast even naar de wc. Plotseling wordt er hevig aan de bus gesjord. Oude mannetjes schrikken uit hun slaap. Tassen tuimelen over iedereen heen. De lampen gaan aan en uit. Wat is er aan de hand? Dan stapt de bestuurder weer in, schijnt met een zaklamp het gangpad in en neemt weer plaats. Welkom in Zuid-Amerika, waar je regelmatig niets snapt van waarom iets gaande is.
Vamos!

Iedereen maakt aanstalten om het voertuig te verlaten. Ook de chauffeur.

Ik weet dat de berglandschappen in Bolivia adembenemend zijn. Jammer dat ik slechts kan staren in de donkerte van de nacht. We stoppen af en toe om er wat mensen uit en in te laten en mogen op een vuilstortplaats onze behoefte doen (no, gracias).
Eindelijk komen we aan op het busstation in Potosí. Ik droomde het laatste stuk van zo’n lekker plakkerig Boliviaans chocoladecakeje van zo’n lokaal winkeltje, maar als ik naar buiten kijk kies ik toch maar weer voor een cracker uit mijn tas. Er liggen junkies op het met afval bezaaide asfalt te slapen en er lopen wat vage figuren rond. Verder staan er een paar krakkemikkige bussen geparkeerd. Iedereen, behalve drie donkere jongens met lange dreads, maakt aanstalten om het voertuig te verlaten. Ook de chauffeur.
‘Waar gaat u heen?’, vraag ik een beetje bezorgd.
‘Naar bed señorita, het is twee uur.’
‘Maar u zou bij ons blijven!’
‘Een collega zal u om 7 uur verder brengen.’
Oh, dat ticketvrouwtje…!
‘Voor niemand de deur open doen hè.’
Dus dit is de plek waar we de komende 6 uur moeten doorbrengen? Voorlopig zullen we nog niet aankomen op onze bestemming Sucre.
Een van de jongens, het blijken Colombiaanse muzikanten, ziet onze bezorgde koppies en start een gesprek. Volgens hem gaan er ook taxi’s naar Sucre, vanaf 4:00 uur. Ik overleg met de Zwitsers en we zijn het direct eens, om klokslag 4:00 uur zijn wij hier weg.

Als ik net een beetje in slaap begin te vallen op de harde stoel – handen om mijn bagage geklemd en gordijntje dicht om me te beschermen tegen de rondscharrelende mannetjes – schrik ik op van gebonk. Ik open mijn ogen en zie een grote man met een verdwaasde blik aan de deurknop trekken.
‘Doe open!’
Niet aankijken, niet aankijken.
‘Laat me er in!’
Wat als hij erin slaagt de deur te breken en zichzelf samen met zijn louche medebewoners van de busterminal binnen laat om ons te verkrachten en beroven? Een rilling kruipt over mijn rug. Ik gluur onder mijn geïmproviseerde dekentje naar mijn Zwitserse freunden en zie dat het meisje geschrokken iets in het oor van haar vriend fluistert. De Colombianen daarentegen zijn wel wat gewend, die liggen opgekruld in coma. Weer bonkt de dronkenlap op de deur en probeert de bus in beweging te zetten. Ik trek de doek verder over me heen. Ik heb het koud, ben moe en moet plassen. Ik heb in geen tijden zo naar een warme douche en een zacht bed verlangd.

Even later schrik ik opnieuw wakker van iemand die de bus in probeert te komen. Dit keer negeer ik hem, het is kwart over 4! Ik maak de Zwitsers wakker en stel voor om een taxi te zoeken. Als we naar buiten kijken is er geen auto te bekennen. De moed zakt me opnieuw in de schoenen. Maar even later zien we een glimmende witte Peugeot het terrein op rijden met een telefoonnummer op zijn deur. Als dat geen taxi is.
Vamos!

In onze privélimo gaan we richting Sucre, ‘de witte stad’. Net als de zoutvlaktes – wit, puur en schoon – precies waar ik behoefte aan heb. Maar eerst leg ik mijn hoofd in de zachte hoofdsteun om de komende uren te genieten van de mooie landschappen. Want soms gaat het niet om de bestemming, maar om de reis.

Rota Vincentina: natuurschoon en Zuid-Europese gastvrijheid


Hoog op mijn verlanglijst staat de pelgrimsroute naar Santiago de Compostela. De hele dag lopen, verhalen delenb met mensen van over de hele wereld… Nu heb ik het geluk mee te mogen met een persreis over een andere, mindere bekend pelgrimsroute: de Rota Vicentina. Deze nog vrij onontdekte Rota is een eeuwenoud pad langs de waanzinnig mooie kust van Alentejo in Zuid-Portugal. Pas sinds 2012 heropend voor publiek, nu al favoriet op mijn lijstje. Je hoeft geen ervaren wandelaar te zijn om deze tocht te doen. 

Tot voor kort moest ik altijd ver weg. Bij ‘het bekende’ vandaan, het liefst naar Latijns-Amerika. Heb jij ook die neiging, geef er eens níet aan toe, dan kan je wel eens aangenaam verrast worden! Na deze trip zie ik Alentejo als één van de mooiste regio’s van Europa. Wat een schoonheid en wat een heerlijke mensen! En geen massatoerisme.

Free as a bird
De Rota Vicentina heeft een totale lengte van 350 km en verbindt kaap Sint Vincentius, de meest zuidwestelijke punt van Portugal, met Santiago do Cacem. Hij loopt helemaal door beschermd natuurgebied. Vroeger trokken de Portugezen in de richting Cabo San Vincen – waar het graf van Sint Vincentius ligt – de patroonheilige van Lissabon. Er zijn goede kaarten beschikbaar en beide varianten van de route zijn overal gemarkeerd: de blauw-groene Fisherman’s Trail en de rood-witte Historical Route. Je bepaalt zelf hoeveel je per dag loopt en je kunt het helemaal regelen zoals je wilt: bagage meedragen of laten vervoeren, met gids of zonder gids, overnachten in luxe accommodaties of meer basic (al zijn de meeste wel zo’n € 80-120 per nacht per kamer). Het leuke van deze Rota is dat alles – maar dan ook alles – waar je tijdens je vakantie behoefte aan zou kunnen hebben, aan de route is gekoppeld is: Bed & Breakfasts, restaurants, gidsen, taxibedrijven en zelfs masseuses.

Wat is het toch altijd warm thuiskomen bij Zuid-Europeanen. Toch een beetje Latijns-Amerika :)

Impressie
Uitkijken over diepe, ruige kliffen boven de turquoise zee, wegdromen bij kleine verlaten baaitjes, een powernap doen tussen felkleurige bloemen in de duinen, rennen over uitgestrekte open vlaktes en dwalen door groene bossen waar schaapjes met je mee hobbelen. En dat in combinatie met beeldschone dorpjes waar je bijna de enige toerist bent en een spa’tje rood drinkt (voor nog geen euro) samen met karakteristieke oude mannetjes die hun dagen slijten in het café, nippend aan hun borreltje. Tel daar de gastvrijheid van de lokale B&B-eigenaren bij op en je wilt niet meer weg…

Gastvrijheid van Europese mix
De eerste dag lopen we vanaf het pittoreske vissersdorpje Porto Covo naar Ilha do Pessegueiro. De heerlijke zeewind blaast alle Nederlandse stress weg. Om 05:00 a.m. stond ik nog te staren naar de vertrekinformatie op Schiphol, nu om 05:00 p.m., staar ik naar de horizon bij B&B Herdade da Estacada en hoef ik nergens meer naartoe. De ruige Engelsman David en zijn goedlachse Portugese vrouw Maria ontvangen ons met ovenvers rozijnen-notenbrood, zoete frambozen en verfrissende limoenlimonade. Wat is het toch altijd warm thuiskomen bij Zuid-Europeanen. Toch een beetje Latijns-Amerika :)

Suppen & etend filosoferen
De volgende dag lopen we van Almograve naar Cabo Sardão, geheel langs de kustlijn. Ooievaarliefhebbers: dit gebied blijkt dé plek in Europa om ooievaars van dichtbij te zien. ’s Middags mogen we de nieuwste rage uitproberen: suppen. Bikini aan, op je surfboard stappen en dan staand een tochtje maken over de Mira-rivier in Vila Nova de Milfontes. In de avond genieten we in restaurant Tasca do Celso van verse zeevruchten en wijn en filosoferen we over het Portugese leven. Tevreden val ik in slaap in mijn riante bed in Monte do Zambujeiro, wederom een mooie B&B, met uitzicht op de Mira.

Ik staar naar de horizon en hoef ik nergens meer naartoe.

Toeristen tussen de locals
Ook per boot verkennen we de rivier, op de derde dag pruttelen we van Vila Nova de Milfontes naar Odemira. De Zwitserse vogelaar Rudolf – helemaal af met beige jasje, verrekijker om zijn nek en vogelboek in zijn hand – vertelt over de vele vogelsoorten die je hier vindt: de witte ooievaar, gele mus en de ijsvogel. Ook otters en schildpadden kun je hier tegenkomen. Later geeft Rudolf het stokje met een dikke knuffel over aan Ana, van Mundo Montado – alle betrokkenen van Rota Vicentina kennen elkaar – die ons meeneemt voor een relaxte wandeling naar Pego das Pias en daarna een culturele tour geeft door het schattige, kleurige dorpje Odemira. A Venda, zie ik staan bij een geel-wit balkonnetje en mijmer dromerig over het opknappen van dit pandje en het verruilen van het Utrecht voor een eenvoudig leven in Alentejo… We bezoeken de Nederlandse kunstenares-weefster Helena Loermans en de Argentijnse chocolademaakster Beatriz in haar Hans-en-Grietje-huisje, mmm! (Er zijn hier meer creatieve actividades mogelijk.) Tijdens het diner in campingrestaurant Costa Alentejana kijken we de WK-wedstrijd Nederland – Spanje en proosten samen met de Portugezen op de overwinning. Deze nacht is wat avontuurlijker: op Camping Sao Miguel heeft ieder een houten huisje midden in het bos!

Welness na wandelen
De laatste dag lopen we van Odeceixe naar São Teotónio. Tip: ga in het voor- of najaar en niet midden in de zomer! We spuiten elkaar nat uit onze 2 liter warm geworden waterflessen voor het idee, maar worden levend geroosterd op de open vlakte. Gelukkig spoelt een lome zwembad-namiddag de hitte weer weg bij Verdemar, een relaxte B&B, die me aan een Argentijnse Estancia doet denken: grazende paarden, rijen olijfbomen, de familie eet met de gasten. De Nederlandse Christine (die Nederlanders zitten ook overal) en Portugese kok Nuno trakteren ons op een diner en – natuurlijk – zalige Portugese wijn. Deze lekkere laatste dag sluit ik af met een massage van Judith, van Stress-Free-Zone, om lekker stress-free weer richting stress-full Nederland te gaan.

Ook de Rota Vicentina lopen? Kijk op visitalentejo.pt/nl en rotavicentina.com

Land Rover verovert land

mg_6982-copiar

Een jaar lang door Zuid-Amerika trekken in je eigen huis op wielen, met nog geen 4.000 dollar op zak. Vrijheid. Iedere dag een nieuw avontuur. En nog zacht voor het milieu ook. Onmogelijk? De Chileense hippie Jaime Silva bewijst dat het kan. Vanuit Chili is hij met zijn Land Rover El Gordo Fritanguero al door Peru, Ecuador en Colombia getrokken. En hij heeft nog dollars over. Wat het geheim is? El Gordo rijdt op plantaardige, gebruikte olijfolie.

Ik ontmoet de goedgehumeurde Jaime op de hoek van een straatje in Bogotá, als ik nieuwsgierig de kunst op zijn auto sta te inspecteren: 99% ACEITE VEGETAL RECICLADO. Jaime is een sterke verschijning: baardje met grijze haren van intensief leven, afgeranselde reizigerskleding, stevige wandelschoenen en een dikke zonnebril (het is avond). ‘Ik leg het je uit!, en hij opent enthousiast de motorkap om me in detail te vertellen hoe het werkt (iets waar ik me in dit verslag maar niet aan wijd). Als zijn zachte stem de ruimte krijgt en hij zijn bril afzet, onthult zich een vriendelijke Chileen met een stel felblauwe ogen.

Wie wil hem nou niet helpen?
Gebruikte olie vinden blijkt niet moeilijk. ‘Gewoon, restaurants binnenlopen en vragen of ze wat over hebben. De helft van de keren heb ik geluk. Daarnaast heb ik diverse sponsors, zoals twee Colombiaanse universiteiten die me 300 liter hebben geschonken.’ Hoe zou dat voelen, rijden op olijfolie?, vraag ik me af. Als Jaime de auto later stilzet bij een stoplicht, krijg ik spontaan zin in gebakken aardappels. Of is het een hamburger die ik ruik? Het is niet alleen de geur van eten, ook échte aardappels of een bord rijst met frigoles komen gratis tot Jaime, zo blijkt. De hele wereld nodigt hem uit aan de eettafel, iedereen wil hem leren kennen. Een fietser stopt en en tikt op het raampje. ‘U rijdt op olijfolie?!’ Jaime trekt een brede grijns, ‘zo gaat het de hele dag.’

Thuis
In de Land Rover is het goed toeven; er is een gezellig kookpitje, de achterbank vormt een knus bed, er wordt gerookt, geproost, gevreeën en er worden verhalen gedeeld. Oude en nieuwe vrienden hebben meegereisd in El Gordo en  hun sporen achtergelaten. Bij vertrek was de auto volledig kaal, inmiddels is hij volgeschilderd met kunst. (Als ik ook wil participeren ben ik van harte uitgenodigd. ‘Het moet wel mooi zijn, anders haal ik het gewoon weer weg.’) De buitendeuren zijn opgesierd door handen uit verschillende landen, de binnenkant van de deuren hangen vol met souvenirs uit alle hoeken van het continent – gezamenlijk vormen ze het bijzondere karakter van El Gordo Fritanguero.

Recycling
Het thema recycling is belangrijk voor Silva. ‘Onze wereld is het paradijs waar wij leven. Daar moeten we met respect en zorg mee omgaan. Wij zijn verantwoordelijk voor hoe wij de aardbol achterlaten voor onze kinderen.’ Zijn huis in een klein dorpje in Chili, dat momenteel leeg staat, bestaat voor 80% uit gerecyclede artikelen. ‘Eerst was ik de gekke hippie, nu volgen mensen mijn voorbeeld en ervaren zelf de voordelen van recycling.’

Liefde voor de natuur
Wat nou als je naar de wc moet? ‘La pacha mama, oftewel Moeder Natuur, is één grote wc.’ (brede grijns)  Jaime zet met gemak zijn auto onder een boom om de nacht door te brengen. Hij komt alleen in een stad voor noodzakelijke inkopen, om vervolgens weer zo snel mogelijk de rust op te zoeken. ‘In steden kan ik mijn auto niet langs de kant parkeren en mijn ogen sluiten. Ik moet een parkeergarage opzoeken of rekenen op mijn medemens. Al werkt dat meestal prima. Gister nog, ontmoette ik een landgenoot, en vroeg hem om een douche. Uiteindelijk ben ik een week gebleven. Mensen zijn ongelofelijk gastvrij en behulpzaam. Niet alleen eten en een bed, ook onderdelen voor El Gordo worden me regelmatig aangeboden.’

Verbinding met de wereld
‘El Gordo geeft me de mogelijkheid om me te verbinden met mensen, met de wereld. Het is zijn uiterlijk dat ervoor zorgt dat mensen een gesprek met mij aanknopen. Al hebben wij wel een goede chemie, El Gordo en ik’, lacht hij en krabt even aan zijn baard. ‘Samen trekken we allerlei soorten mensen aan, rijk en arm. Via mijn auto heb ik veel nieuwe vrienden gemaakt, veel geleerd, naar verhalen mogen luisteren en delen van mijn reis kunnen delen. Dat ben ik heel dankbaar voor.’

Reizen in het bloed
Hoe ontstaat nou het idee om zo’n bijzondere reis te maken? ‘Ik was altijd al de reiziger van de familie. De laatste vier jaar kom ik alleen af en toe thuis om geld te verdienen voor de volgende trip. Ik ben inmiddels in 28 landen geweest, in alle continenten behalve Afrika. Liftend, bij mensen thuis slapend, alles low budget. Ik heb ondervonden dat ik niet veel nodig heb. Op een dag ontmoette ik een Gringo*, die mij enthousiast vertelde over het rijden op olijfolie. Ik ontdekte dat het eigenlijk heel eenvoudig was. Iedereen verklaarde me voor gek. Gek of niet, hier ben ik nu, in Bogotá, na ruim 8 maanden toeren op aceite. Ik ga de wereld veroveren met mijn Land Rover.’

Vrijheid
‘Ze zeggen dat je in je leven een boek moet schrijven, een boom moet planten en een kind moet krijgen. Ik heb deze prachtboom geplant. Hij groeit elke dag. Deze manier van leven maakt me jong, ik barst van de energie. Veel mensen zeggen dat ze me benijden. Ze vinden het knap dat ik alles heb achtergelaten. Hoe zit het met mijn zekerheden?, vragen ze zich af. Het enige wat we zeker weten is dat we dood gaan. Als ik nu dood zou gaan sterf ik gelukkig. En wat is ‘alles’? Ik heb alles wat ik nodig heb. Ik ben tevreden. Voordat ik reisde was ik altijd gestrest. Ik verdiende goed, maar ging er lichamelijk bijna aan onderdoor. Nu ben ik vrij. Ik ben gelukkiger dan ooit.’ Angsten? Die heeft Jaime niet. ‘Waar zou ik bang voor moeten zijn? Ik hoef me geen zorgen te maken over materialistische zaken en ben free as a bird. Vrijheid kent geen prijs.’

* In Latijns-Amerika noemen ze van de Verenigde Staten (en vaak ook uit Europa) ‘Gringo’s’

Ik schreef dit verhaal ook in het Spaans (América del Sur en cuatro ruedas’).

Fidel is watching you

199433_185476498164039_3549539_n

Samen met mijn leraar Armado loop ik door het centrum van Havana. In plaats van grammatica-les aan een wiebelig tafeltje met een roestige ventilator, krijg ik les op straat, middenin het Cubaanse leven. Terwijl hij me met een trieste blik een verhaal vertelt bij een vervallen gebouw, worden we plotseling aangehouden door een politieman. Wat hij hier doet met mij, gezellig kletsend in dit zijstraatje van Plaza Vieja.

De breedgeschouderde man in zijn donkerblauwe outfit kijkt Armado ongeduldig aan. Voor de vorm tikt hij met zijn voet op de versleten straattegels.
‘Mag een oude negro niet met een jonge vrouw over straat lopen?’, is Armado’s reactie.
De agent neemt hem kritisch op, van beige teenslippers tot krijtwit kroeshaar en levenslustige ogen, die twijfelachtig glimlachen. Vervolgens kijkt hij naar mij.
‘Gaat u daar even staan, señorita?’
Als een braaf hondje druip ik af en wacht onder een geveltje van een restaurant. Ik kijk toe hoe de dienaar van de gebroeders Castro Armado onderwerpt aan een vragenvuur. Cuba doet er alles aan om het toerisme te laten groeien, maar is tegelijkertijd doodsbenauwd voor informatie-uitwisseling tussen locals en reizigers.

Ineens wordt het Armado te veel en hij verheft zijn stem. ‘Laat me met rust, ik laat haar gewoon de stad zien!’ Hij kijkt even mijn kant op. De politieagent gaat voor hem staan. ‘U kunt beter gewoon mijn vragen beantwoorden.’
Ik zie Armado steeds kleiner worden. Hij heeft dit al vaak meegemaakt, zo heeft hij mij verteld. Een golf van mededogen komt over me heen. Deze oude man is me lief geworden in een korte tijd. Bijna dagelijks nam hij mij de afgelopen weken mee naar de fascinerende oude stadsdelen van Havana. Zijn verhalen raakten niet op, evenals mijn vragen.

De agent gebaart dat ik er weer bij mag komen staan. Ik weet inmiddels dat je in Cuba beter mee kunt werken.
‘Waar kent u deze man van?’
‘Hij geeft me taalles.’
Geen blik of bloos. ‘Waar krijgt u les?’
Opnieuw wordt Armado boos. ‘Als ze een Cubana was geweest, had je me dan ook aangehouden?’
Even laat de agent zich afleiden, maar wendt zich dan weer tot mij.
‘Ik logeer op een schooltje in Víbora’, antwoord ik.
De agent schrijft alles op zijn Grote Geheime Blocnote en stopt het in zijn tas.
‘U kunt gaan.’
Volgens Armado is er een minnetje achter zijn naam gezet, zoals al eerder is gebeurd, voor als ze hem een keer ergens op willen pakken. Hoeveel minnetjes is hij verwijderd van een nachtje bij de Castro’s?

Armado en ik gaan op een stoeprandje zitten, met als decor de prachtige, kleurrijke achtergrond van de door UNESCO gerenoveerde gebouwen. Hij legt me uit dat hij erg lijdt onder de discriminatie in dit land. Voor de zoveelste keer wordt hij geconfronteerd met zijn huidskleur en in zijn beleving genoot de politieagent ervan. Zou dat echt zo zijn? Zou deze agent ’s avonds tegen zijn vrouw zeggen, terwijl ze het eten op tafel zet: ‘Prima dagje mi amor, weer lekker een zwarte in z’n hempie gezet met een Europese toerist.’ Ik hoop vurig dat van niet. Ik kijk Armado aan en zie een beschadigde, oude man. Zijn gedrevenheid voor geschiedenisles is voor vandaag verdwenen. Met een brok in mijn keel gebaar ik dat ik zo terug ben. In de hoop hem wat op te vrolijken, haal ik twee tu Kola’s (Cuba’s enige echte eigen cola, als gevolg van het handelsverdrag met de VS) en twee broodjes perro caliente (hot dog) bij een raampje dat als snackbar fungeert. Hij glimlacht, maar zijn ogen staan triest en hij geeft me een klopje op mijn schouder: ‘Het is zo oneerlijk.’ Ik probeer de brok in mijn keel te laten smelten met mijn ijskoude tu Kola.

Ik val de afgelopen weken van de ene verbazing in de andere en begrijp ik steeds minder van dit land. Als je het mij vraagt, zijn de Castro’s het spoor bijster. Ik zie ze voor me tijdens hun dagelijkse bespreking, Ráoul aan het bed van Fidel, beide een bord arroz congri op schoot, pratend over nieuwe plannen. Zouden ze in staat zijn toe te geven dat ze er een zooitje van hebben gemaakt? Ik geloof in hun goede intenties, maar ze zijn onderweg het spoor bijster geraakt. Dit land intrigeert me mateloos. Vorig jaar (in 2009), tijdens mijn eerste bezoek aan Cuba, zag ik de highlights en kwam ik thuis met een niet te temmen nieuwsgierigheid. Ik wil dit eiland begrijpen, doorgronden, het naadje van de kous weten. Diverse documentaires, allerlei boeken en een aantal maanden later, krijg ik de kans om via Armado te ontdekken wat er achter die kleurrijkheid zit. Doordat hij me op sleeptouw neemt buiten de gebaande paden, begin ik steeds meer te zien hoe het Cubaanse volk voor de gek worden gehouden. Het doet me denken aan de The Truman Show. Er is zoveel tegenstrijdigs dat niet recht te praten is. En tegelijkertijd kan je niet níet van dit land houden. De salsabands en oude Chevrolets geven het eiland een unieke en vrolijke look, maar de enorme armoede en het gevangenschap die daarachter zitten is niet mis. Het is niet alleen letterlijk, maar ook figuurlijk een eiland…

Lieve Armado, misschien kun je beter, net als velen van je landgenoten, je mooie, karakteristieke koppie in het warme Caribische zand te steken en net doen alsof alles goed is. Steek een Cohiba op en schenk een Cuba Libre in: een groot glas tu Kola met een goede scheut rum, als symbool voor de toekomstdroom van een Cuba Libre, een vrij Cuba.

Het ga je zo, zo goed. Dank je wel.

Boek: Reizen in moeilijke landen

Deze maand geen column, maar een recensie van het (met stip in mijn Top 3 binnengekomen) reisboek Universele reisgids voor moeilijke landen van Jelle Brandt Corstius. Omdat reizen in moeilijke landen gewoon het aller- aller- allerleukst is. 

Met tips voor alleenreizende vrouwen (‘doe een trouwring om’), hoe je omgaat met corruptie (‘het verschil tussen een bandiet en een agent is op veel plekken flinterdun’), wat je moet doen als je aan de diarree raakt (‘zorg dat je de buschauffeur te vriend houdt’), suggesties voor als je het echt niet meer weet (‘schaam je niet om thuis te komen met foto’s van witte stranden’), welke soorten ‘mannetjes’ er allemaal zijn om dingen voor je regelen en wat goed is voor je reiskarma.

In twee maanden drie herdrukken, dat krijg je als een grappig en écht bruikbaar boek schrijft in het land met het meest reislustige volk ter wereld. De ‘Universele reisgids voor moeilijke landen’ maakt reizen in moeilijke landen minder moeilijk. Makkelijker dus. En (nóg) leuker.

‘Je komt op plekken waar een toerist nog een bezienswaardigheid is’

Tips verpakt in anekdotes
In de inleiding kom je direct in the mood (of juist niet): ‘Als je naar de inhoudsopgave kijkt, ziet die er merkwaardig uit’, zegt Jelle. Hij benadrukt dat hij niet gaat uitleggen hoe je een buskaartje moet kopen, want ‘Als je dat niet weet: een moeilijk land is niets voor jou.’

De universeelheid van moeilijke landen
De auteur, die veel gereisd heeft in moeilijke landen en jaren in het moeilijke land Rusland heeft gewoond, is ervaringsdeskundige. Hij suggereert daarmee niet dat dit boek compleet is. Dat is het inderdaad ook niet, hij heeft bijvoorbeeld geen ervaring met Latijns-Amerika. Maar als liefhebber van moeilijke landen weet je: ‘in elk moeilijk land kom je dezelfde moeilijke dingen tegen.’

Ze zijn overal: mannetjes
Iedere reiziger die buiten Europa is getreden herkent dit: mannetjes die het wel even voor je regelen met de hoteleigenaar die heel toevallig zijn neef is, mannetjes die het knopje van de lift voor je indrukken en mannetjes die vaag rondhangen op straat. Jelle: ‘Ze hoeven trouwens niet per se van het mannelijk geslacht te zijn’. Lezen over de vele mannetjes is een feest (der herkenning ook), er is zelfs een paragraaf waar ze stuk voor stuk persoonlijk in de spotlights staan.

Inpakken en wegwezen
Jelle’s tips en uitleg worden afgewisseld met zijn columns en geïllustreerd met tekeningen van Michiel van de Pol. Soms is het even puzzelen waar een afgebroken zin verder gaat, maar het boek is eigenlijk veel te leuk boek om daar iets van te zeggen :) . Mijn tip: lees ‘m in één keer uit en neem ‘m lekker mee, hij is tien keer zo licht als de Lonely Planet.

Titel: Universele reisgids voor moeilijke landen
Schrijver: Jelle Brandt Corstius
ISBN: 9789044619089