Bolivia belivia

IMG_0413

Waar armoede is, is gevaar. Dat weet iedere doorgewinterde reiziger. Waar armoede is, zijn leugens. Ook dat weet je als reiziger. Maar persoonlijk zijn we er altijd heilig van overtuigd dat wij niet vallen voor kletspraat van arme locals die geld willen verdienen. Toch?

Zelfs niet in Bolivia, het armste land van Zuid-Amerika, waar ik samen met een Zwitsers verliefd stelletje nog helemaal high ben van een 3-daagse jeeptour over de witte, pure zoutvlaktes van Uyuni. Vanuit ons perspectief is alles en iedereen op dit moment zo puur als het witte zout, dus kopen we vol vertrouwen tickets voor de nachtbus bij een van de Indianenvrouwtjes op het ‘busstation’ (een rij gammele hutjes aan de rand van het dorp waar schreeuwende Bolivianen verfrommelde buskaartjes aan de man brengen). We kiezen voor het vrouwtje met de hardste stem en de zachtste prijs. Vanwege alle spookverhalen check ik nog even de veiligheid: ‘Is het OK om ’s nachts te reizen?’ Haar baby’tje én ons sussend, verzekert ze ons dat de chauffeur ons na een korte pauze op de busterminal van Potosí, waar hij bij ons zal blijven, keurig zal afleveren op de eindbestemming Sucre.
Vamos!

We slaan water en crackers in en wachten geduldig op onze bus. Rugtassen omgedoopt tot buiktassen, geld in onze moneybelt verstopt en zelfverzekerd uit onze ogen kijkend. Bankjes zijn er niet, dus we blijven staan en kletsen wat. Piepende bussen komen af en aan en stromen leeg met moeders met slapende baby’s op hun rug gebonden in prachtig gekleurde doeken. Passerende kinderen staren ons aan met hun nieuwsgierige, chocoladebruine oogjes. Een groepje oude mannetjes bekijkt ons uitgebreid en beginnen te smoezen. Langzaamaan, het is inmiddels donker, beginnen we ons minder op ons gemak te voelen. Is het niet toch beter om overdag te vertrekken? We denken alledrie hetzelfde, maar doen dat ook; we zeggen niks.

Er zijn verder alleen maar locals aan boord, wat zelden een goed teken is in een land als dit.

Uiteindelijk, 1,5 uur later, stopt er een roestig blik voor onze neus met een verfomfaaid papiertje in de vooruit: SUCRE. Het inpakritueel neemt ruim een half uur in beslag: ladingen plastic tassen, een gatenmand met 2 hanen, diverse muziekinstrumenten – alles gaat mee. Een deel wordt op het dak gebonden, al kiezen wij ervoor om onze tassen bij ons te houden. Ik neem plaats in een gerafeld bruin leren stoeltje, naast mijn partners in crime. Ik hou mijn adem in, bang dat het busje bij een zucht uit elkaar zal vallen. Er zijn verder alleen maar locals aan boord, wat zelden een goed teken is in een land als dit. Hun lijkt de stank niet op te vallen, maar ik word een beetje misselijk van de combi van lekkende benzine, een zurige zweetgeur en verbrande rijst.
Vamos!

Na een tijdje hortend en stotend pruttelen wordt de bus tot stilstand gebracht. De chauffeur stapt uit en verdwijnt in het donker. Niemand lijkt zich er iets van aan te trekken, behalve wij verwende reizigers, een vragende blik uitwisselend. De chauffeur moet vast even naar de wc. Plotseling wordt er hevig aan de bus gesjord. Oude mannetjes schrikken uit hun slaap. Tassen tuimelen over iedereen heen. De lampen gaan aan en uit. Wat is er aan de hand? Dan stapt de bestuurder weer in, schijnt met een zaklamp het gangpad in en neemt weer plaats. Welkom in Zuid-Amerika, waar je regelmatig niets snapt van waarom iets gaande is.
Vamos!

Iedereen maakt aanstalten om het voertuig te verlaten. Ook de chauffeur.

Ik weet dat de berglandschappen in Bolivia adembenemend zijn. Jammer dat ik slechts kan staren in de donkerte van de nacht. We stoppen af en toe om er wat mensen uit en in te laten en mogen op een vuilstortplaats onze behoefte doen (no, gracias).
Eindelijk komen we aan op het busstation in Potosí. Ik droomde het laatste stuk van zo’n lekker plakkerig Boliviaans chocoladecakeje van zo’n lokaal winkeltje, maar als ik naar buiten kijk kies ik toch maar weer voor een cracker uit mijn tas. Er liggen junkies op het met afval bezaaide asfalt te slapen en er lopen wat vage figuren rond. Verder staan er een paar krakkemikkige bussen geparkeerd. Iedereen, behalve drie donkere jongens met lange dreads, maakt aanstalten om het voertuig te verlaten. Ook de chauffeur.
‘Waar gaat u heen?’, vraag ik een beetje bezorgd.
‘Naar bed señorita, het is twee uur.’
‘Maar u zou bij ons blijven!’
‘Een collega zal u om 7 uur verder brengen.’
Oh, dat ticketvrouwtje…!
‘Voor niemand de deur open doen hè.’
Dus dit is de plek waar we de komende 6 uur moeten doorbrengen? Voorlopig zullen we nog niet aankomen op onze bestemming Sucre.
Een van de jongens, het blijken Colombiaanse muzikanten, ziet onze bezorgde koppies en start een gesprek. Volgens hem gaan er ook taxi’s naar Sucre, vanaf 4:00 uur. Ik overleg met de Zwitsers en we zijn het direct eens, om klokslag 4:00 uur zijn wij hier weg.

Als ik net een beetje in slaap begin te vallen op de harde stoel – handen om mijn bagage geklemd en gordijntje dicht om me te beschermen tegen de rondscharrelende mannetjes – schrik ik op van gebonk. Ik open mijn ogen en zie een grote man met een verdwaasde blik aan de deurknop trekken.
‘Doe open!’
Niet aankijken, niet aankijken.
‘Laat me er in!’
Wat als hij erin slaagt de deur te breken en zichzelf samen met zijn louche medebewoners van de busterminal binnen laat om ons te verkrachten en beroven? Een rilling kruipt over mijn rug. Ik gluur onder mijn geïmproviseerde dekentje naar mijn Zwitserse freunden en zie dat het meisje geschrokken iets in het oor van haar vriend fluistert. De Colombianen daarentegen zijn wel wat gewend, die liggen opgekruld in coma. Weer bonkt de dronkenlap op de deur en probeert de bus in beweging te zetten. Ik trek de doek verder over me heen. Ik heb het koud, ben moe en moet plassen. Ik heb in geen tijden zo naar een warme douche en een zacht bed verlangd.

Even later schrik ik opnieuw wakker van iemand die de bus in probeert te komen. Dit keer negeer ik hem, het is kwart over 4! Ik maak de Zwitsers wakker en stel voor om een taxi te zoeken. Als we naar buiten kijken is er geen auto te bekennen. De moed zakt me opnieuw in de schoenen. Maar even later zien we een glimmende witte Peugeot het terrein op rijden met een telefoonnummer op zijn deur. Als dat geen taxi is.
Vamos!

In onze privélimo gaan we richting Sucre, ‘de witte stad’. Net als de zoutvlaktes – wit, puur en schoon – precies waar ik behoefte aan heb. Maar eerst leg ik mijn hoofd in de zachte hoofdsteun om de komende uren te genieten van de mooie landschappen. Want soms gaat het niet om de bestemming, maar om de reis.

Advertenties

Het Colombiaanse leven – Eten, dansen en beminnen

In Colombia is iedereen aan de coke, elke dag wordt er een onschuldige ziel voor je neus doodgeschoten en niemand is te vertrouwen. Dat is ongeveer het beeld dat men vaak heeft van dit Zuid-Amerikaanse land. Terecht? Er een jaartje vertoeven doet verhalen ontstaan die ik graag wil delen. Verhalen die de realiteit laten zien, en vooral de positieve kanten. Over salsadansen met je ogen dicht, lokale beroemdheden eren, verliefd worden, je verwonderen in de Colombiaanse ‘Ikea’, nieuwe gewoontes aanleren, wegrennen voor legertanks, sjoemelen voor een verblijfsvergunning… Daarom dit blog als ode aan deze waanzinnige plek op aarde! Wie weet volgen er meer…

De slogan van het toeristenbureau speelt slim in op de heersende angst voor het land: El unico riesgo es que te quieras quedarHet enige risico is dat je wilt blijven. Klopt. Want je raakt gemakkelijk bevriend met de mensen (zonder cocaïne), merkt dat die onschuldige zielen bewust kiezen om te léven en ontdekt al snel dat de meeste mensen gewoon te vertrouwen zijn.

Salsa, salsa, salsa
Het begon allemaal met een kop koffie op een zonnige patio in een van de smalle straatjes van San Antonio in Cali. Een pittoresk, koloniaal wijkje, midden in deze industriestad. Maar naar Cali ga je dan ook niet voor de schoonheid van de stad, maar voor de salsa. En als je van salsa houdt, is architectuur van ondergeschikt belang. Want naast rook van alle fabrieken, ademt Cali de hele dag salsa; in de supermarkt, in de taxi, op straat, bij de apotheek, overal. En dat is precies de reden dat ik hier ben.

Als je je een jaar in een land wilt settelen, moet je nieuwe gewoontes, moves en woorden aanleren

Hier ontbreekt niets
Op mijn aankomstdag vertelt Claudia, bij wie ik een kamer huur voor een paar maanden, me onder het genot van die koffie alles over de beste salsascholen in de buurt. Claudia heeft haar huis deels verbouwd tot B&B. Zo ontmoeten wij – de Colombiaanse Camilo, de Duitse Robert, de Amerikaanse Steve en ik – dagelijks niet alleen vrienden en familie van Claudia, maar ook reizigers uit alle hoeken van de wereld met wie we etend, filosoferend en dansend de patio delen. Ik voel me al snel thuis. San Antonio is een mooie gekleurde vlek in een rommelige stad. Het voelt als een dorp; je haalt je groente en fruit bij Manuel (alleen al voor de wonderlijke vruchten moet je naar Colombia), eet traditionele lunches bij El Zaguan (Colombianen eten ’s middags warm, vaak buiten de deur), drinkt goede koffie bij Macondo (niet altijd makkelijk vindbaar, de beste koffiebonen worden geëxporteerd) en belt aan bij apotheker John als je acetaminofen nodig hebt (de Colombiaanse paracetamol). Lekker overzichtelijk. Alleen als je naar een supermarkt wilt, moet je ‘naar de overkant’. Zo zijn de Britse Caroline en ik het gaan noemen. Want daar is het rauwe Cali. Sinds ik haar ontmoette, gaan we elke vrijdag de loopbrug over voor onze grote boodschappen – en een nieuw salsajurkje natuurlijk – om het centrum vervolgens de rest van de week te vermijden. Het is er vol en vies: drukke straten met toeterende auto’s gitzwarte rook uitpuffend, krioelende mensen voor en achter kraampjes volgestouwd met koopwaar. Geen mooie inheemse producten, maar kunststof schoenen voor 2.500 Pesos (1 Euro) en magische crèmes die je billen ronder zouden maken. Toch hou ik ook van dit soort plekken. Voor een uurtje. Je zou het net zo goed authentiek kunnen noemen als de inheemse marktjes.
Ook als je naar een salsaclub wilt moet je San Antonio verlaten. Gelukkig maakt salsadanser Ricardo regelmatig een tussenstop bij bar Tostaki (een snel uitgesproken Todo está quí. ‘Hier ontbreekt niets’) om las dos Carolinas op te halen voor een dansje  – zo noemen ze ons hier in de wijk.

Go local
Als je je een jaar in een land wilt settelen, moet je nieuwe gewoontes, moves en woorden aanleren. Zo legt Claudia me uit dat je nooit je tas op de grond moet zetten. ‘Brengt ongeluk!’ Als ik mijn salsaleraar Victor uitleg dat er in Europa vooral met hoofd en armen wordt gedanst, laat hij me zien dat het in Colombia gaat om heupen en voetenwerk. Camilo leert me Colombiaanse woorden, zoals bacano (gaaf, cool), parcero (vriend, maatje) en vaina (ding, manier) en de hoe-gaat-ie-groet ‘Qúe más?’ (‘Wat nog meer’). Volgens huisgenoot Steve (en volgens de boekjes) wonen in Cali de mooiste vrouwen van het land. Ze zijn prachtig, zeker, maar helaas met veel chirurgisch aangebracht billen en borsten. Ook Robert heeft me iets te leren, namelijk dat ze in San Antonio zelfs zuurdesembrood verkopen (belangrijk voor een Duitser natuurlijk). De rest van de Colombiaanse gewoontes rijmen perfect met de Latijns-Amerikaanse cultuur, dus ik hoef niet meer te oefenen met niet-zo-stipt-op-tijd komen, een zoen in plaats van een hand bij ontmoetingen en niet al te direct zijn. Dat gaat inmiddels vanzelf.

‘Gracias a Dios’, denk ik – om mijn blijdschap maar op de nationale manier uit te drukken :)

Daar istie dan
Op een willekeurige donderdag lig ik lekker heen en weer te wiegen in de hangmat, zoals ik iedere dag doe in de namiddagzon op de patio. En dan is daar die man… fotograaf Óscar uit Bogotá. Met zijn prachtige zwarte krullen en diepbruine ogen gaat hij tegenover mijn hangmat zitten. Terwijl hij zijn doordringende blik geen seconde loslaat, kletsen we totdat het donker wordt. Ik heb al snel door dat hij geen ‘standaard’ Latino is. Latino’s zijn nu eenmaal vaak vrouwenversierders, daar worden ze mee opgevoed. Maar deze man lijkt anders. Gestudeerd, heeft zijn eigen fotostudio, luistert naar muziek búiten Zuid-Amerika en weet meer van kunst, geschiedenis en politiek dan een gemiddelde wetenschapper. Dit in combi met het ontbreken van gladde praatjes maakt hem behoorlijk interessant. Dus ik app:

– Caro, ik neem vanavond een Colombiaan mee. 21.00 uur bij Tostaki?
– Can’t wait!

Om 21:10 uur houdt Oscar de zware, houten voordeur voor me open, die ik vervolgens zoals altijd dubbel op slot draai met de even zo zware sleutel. We lopen samen de straat op, waar een warm zwoel briesje waait. Eventjes legt hij zijn hand op mijn onderrug. Vlinders! Deze avond gaan we naar Topa Tolondra, een van mijn favoriete salsaclubs: zo’n oude, donkere tent, vol met foto’s van salseros aan de afgebrokkelde stenen muren, waar de hele nacht wordt gedanst. We hebben het fijn, al blijkt Oscar niet zo’n salsadanser te zijn als de meeste mannen uit deze regio. Dat komt door zijn roots in Chiquinquira, een klein dorpje vlakbij Bogotá, waar ze meer folklore dansen dan salsa. Ik besef dat dat maakt tot wie hij is; niet zo’n versierder zoals de Caleños, de mannen uit Cali. ‘Gracias a Dios’ (goddank), denk ik – om mijn blijdschap maar op de nationale manier uit te drukken :)

Afscheid
Als ik hem de volgende dag bij het ontbijt zie, grote Canon in de hand, nodigt hij me uit voor de workshop die hij gaat geven aan een groep fotografiestudenten. Hem de wijze fotograaf uit zien hangen maakt hem nog aantrekkelijker. Het afscheid de volgende dag is daardoor zwaarder dan ik toe wil geven. Ik zwaai de gele taxi dromerig na. Zal ik hem ooit nog zien? Met een knoop in mijn maag kruip ik in de hangmat in de hoop dat het wiegen me zal sussen. Claudia komt aangesneld: ‘Komt hij nog terug?’ Gelukkig heb ik dezelfde avond al een mailtje en twee weken later pakt hij het vliegtuig naar Cali. Een maand daarna opnieuw. Dit keer blijft hij lang. We genieten van smeuïge muffins bij Zahavi, kijken oude films bij Macondo, bezoeken het filmmuseum Caliwood, slenteren door de straatjes van San Antonio en dansen bij Tin Tin Deo, Zaperoco, Topa en Las Brisas.

Nu is het tijd voor mij om hem op te zoeken. Bogotá, here I come. 

Rota Vincentina: natuurschoon en Zuid-Europese gastvrijheid


In de top 10 van mijn bucketlist staat pelgrimsreis Santiago de Compostela. Maar omdat ik (nog) geen duidelijke spirituele reden heb, maakte ik eerst maar eens persreis Rota Vicentina. 

Deze nog onontdekte Rota (route) is een hersteld, eeuwenoud pad langs de waanzinnig mooie kust van Alentejo in Zuid-Portugal. Pas sinds 2012 open voor publiek, nu al favoriet op mijn lijstje: prachtige uitzichten over zee, rustige knusse dorpjes en ontzettend gastvrije locals. Dus geen hoger doel dienend, gewoon genietend van de natuur en Portugese wijn!

Lees het hele verhaal op Reisbijbel.nl

Land Rover verovert land

mg_6982-copiar

Een jaar lang door Zuid-Amerika trekken in je eigen huis op wielen, met nog geen 4.000 dollar op zak. Vrijheid. Iedere dag een nieuw avontuur. En nog zacht voor het milieu ook. Onmogelijk? De Chileense hippie Jaime Silva bewijst dat het kan. Vanuit Chili is hij met zijn Land Rover El Gordo Fritanguero al door Peru, Ecuador en Colombia getrokken. En hij heeft nog dollars over. Wat het geheim is? El Gordo rijdt op plantaardige, gebruikte olijfolie.

Ik ontmoet de goedgehumeurde Jaime op de hoek van een straatje in Bogotá, als ik nieuwsgierig de kunst op zijn auto sta te inspecteren: 99% ACEITE VEGETAL RECICLADO. Jaime is een sterke verschijning: baardje met grijze haren van intensief leven, afgeranselde reizigerskleding, stevige wandelschoenen en een dikke zonnebril (het is avond). ‘Ik leg het je uit!, en hij opent enthousiast de motorkap om me in detail te vertellen hoe het werkt (iets waar ik me in dit verslag maar niet aan wijd). Als zijn zachte stem de ruimte krijgt en hij zijn bril afzet, onthult zich een vriendelijke Chileen met een stel felblauwe ogen.

Wie wil hem nou niet helpen?
Gebruikte olie vinden blijkt niet moeilijk. ‘Gewoon, restaurants binnenlopen en vragen of ze wat over hebben. De helft van de keren heb ik geluk. Daarnaast heb ik diverse sponsors, zoals twee Colombiaanse universiteiten die me 300 liter hebben geschonken.’ Hoe zou dat voelen, rijden op olijfolie?, vraag ik me af. Als Jaime de auto later stilzet bij een stoplicht, krijg ik spontaan zin in gebakken aardappels. Of is het een hamburger die ik ruik? Het is niet alleen de geur van eten, ook échte aardappels of een bord rijst met frigoles komen gratis tot Jaime, zo blijkt. De hele wereld nodigt hem uit aan de eettafel, iedereen wil hem leren kennen. Een fietser stopt en en tikt op het raampje. ‘U rijdt op olijfolie?!’ Jaime trekt een brede grijns, ‘zo gaat het de hele dag.’

Thuis
In de Land Rover is het goed toeven; er is een gezellig kookpitje, de achterbank vormt een knus bed, er wordt gerookt, geproost, gevreeën en er worden verhalen gedeeld. Oude en nieuwe vrienden hebben meegereisd in El Gordo en  hun sporen achtergelaten. Bij vertrek was de auto volledig kaal, inmiddels is hij volgeschilderd met kunst. (Als ik ook wil participeren ben ik van harte uitgenodigd. ‘Het moet wel mooi zijn, anders haal ik het gewoon weer weg.’) De buitendeuren zijn opgesierd door handen uit verschillende landen, de binnenkant van de deuren hangen vol met souvenirs uit alle hoeken van het continent – gezamenlijk vormen ze het bijzondere karakter van El Gordo Fritanguero.

Recycling
Het thema recycling is belangrijk voor Silva. ‘Onze wereld is het paradijs waar wij leven. Daar moeten we met respect en zorg mee omgaan. Wij zijn verantwoordelijk voor hoe wij de aardbol achterlaten voor onze kinderen.’ Zijn huis in een klein dorpje in Chili, dat momenteel leeg staat, bestaat voor 80% uit gerecyclede artikelen. ‘Eerst was ik de gekke hippie, nu volgen mensen mijn voorbeeld en ervaren zelf de voordelen van recycling.’

Liefde voor de natuur
Wat nou als je naar de wc moet? ‘La pacha mama, oftewel Moeder Natuur, is één grote wc.’ (brede grijns)  Jaime zet met gemak zijn auto onder een boom om de nacht door te brengen. Hij komt alleen in een stad voor noodzakelijke inkopen, om vervolgens weer zo snel mogelijk de rust op te zoeken. ‘In steden kan ik mijn auto niet langs de kant parkeren en mijn ogen sluiten. Ik moet een parkeergarage opzoeken of rekenen op mijn medemens. Al werkt dat meestal prima. Gister nog, ontmoette ik een landgenoot, en vroeg hem om een douche. Uiteindelijk ben ik een week gebleven. Mensen zijn ongelofelijk gastvrij en behulpzaam. Niet alleen eten en een bed, ook onderdelen voor El Gordo worden me regelmatig aangeboden.’

Verbinding met de wereld
‘El Gordo geeft me de mogelijkheid om me te verbinden met mensen, met de wereld. Het is zijn uiterlijk dat ervoor zorgt dat mensen een gesprek met mij aanknopen. Al hebben wij wel een goede chemie, El Gordo en ik’, lacht hij en krabt even aan zijn baard. ‘Samen trekken we allerlei soorten mensen aan, rijk en arm. Via mijn auto heb ik veel nieuwe vrienden gemaakt, veel geleerd, naar verhalen mogen luisteren en delen van mijn reis kunnen delen. Dat ben ik heel dankbaar voor.’

Reizen in het bloed
Hoe ontstaat nou het idee om zo’n bijzondere reis te maken? ‘Ik was altijd al de reiziger van de familie. De laatste vier jaar kom ik alleen af en toe thuis om geld te verdienen voor de volgende trip. Ik ben inmiddels in 28 landen geweest, in alle continenten behalve Afrika. Liftend, bij mensen thuis slapend, alles low budget. Ik heb ondervonden dat ik niet veel nodig heb. Op een dag ontmoette ik een Gringo*, die mij enthousiast vertelde over het rijden op olijfolie. Ik ontdekte dat het eigenlijk heel eenvoudig was. Iedereen verklaarde me voor gek. Gek of niet, hier ben ik nu, in Bogotá, na ruim 8 maanden toeren op aceite. Ik ga de wereld veroveren met mijn Land Rover.’

Vrijheid
‘Ze zeggen dat je in je leven een boek moet schrijven, een boom moet planten en een kind moet krijgen. Ik heb deze prachtboom geplant. Hij groeit elke dag. Deze manier van leven maakt me jong, ik barst van de energie. Veel mensen zeggen dat ze me benijden. Ze vinden het knap dat ik alles heb achtergelaten. Hoe zit het met mijn zekerheden?, vragen ze zich af. Het enige wat we zeker weten is dat we dood gaan. Als ik nu dood zou gaan sterf ik gelukkig. En wat is ‘alles’? Ik heb alles wat ik nodig heb. Ik ben tevreden. Voordat ik reisde was ik altijd gestrest. Ik verdiende goed, maar ging er lichamelijk bijna aan onderdoor. Nu ben ik vrij. Ik ben gelukkiger dan ooit.’ Angsten? Die heeft Jaime niet. ‘Waar zou ik bang voor moeten zijn? Ik hoef me geen zorgen te maken over materialistische zaken en ben free as a bird. Vrijheid kent geen prijs.’

* Latino’s noemen inwoners van de Verenigde Staten Gringo’s

Ik schreef dit verhaal ook in het Spaans (América del Sur en cuatro ruedas’).
Bekijk ook de videoreportage, die ik maakte samen met Estudio Perfer

De angst van Fidel Castro

199433_185476498164039_3549539_n

Wat hij hier doet met mij, zo kletsend in een zijstraatje van Plaza Vieja.
De breedgeschouderde man, die zich nogal thuis voelt in zijn blauwe Cubaanse politieoutfit, kijkt mijn leraar Armado ongeduldig aan. Voor de vorm tikt hij met zijn voet op de versleten straattegels.
‘Mag een oude negro niet met een jonge vrouw over straat lopen?’
De agent neemt Armado kritisch op, van beige teenslippers tot krijtwit kroeshaar en levenslustige ogen, die twijfelachtig glimlachen. Vervolgens kijkt hij naar mij. 
‘Gaat u daar even staan, señorita?’

Als een braaf hondje druip ik af en ga ik onder een geveltje van een restaurant staan. Ik kijk toe hoe de dienaar van de gebroeders Castro tegenover Armado gaat staan en hem onderwerpt aan een serie vragen. Cuba doet er alles aan om het opkomende toerisme te laten groeien, maar is doodsbenauwd voor informatie-uitwisseling tussen locals en reizigers. De Castro’s zijn het spoor volledig bijster. Ik zie ze voor me tijdens hun dagelijkse bespreking, Ráoul aan het bed van Fidel, beide een bord rijst op schoot, elkaar – en vooral zichzelf – voor de gek houdend met nieuwe plannen. Zelfs hangend aan de schandpaal zouden ze nog niet toegeven dat ze er een zooitje van hebben gemaakt. Wat betreft discriminatie doen ze het geen haar beter dan dictator Batista.

Het is pure pesterij dit, maar ik weet inmiddels dat je in Cuba maar beter mee kunt werken.
Plotseling wordt het Armado te veel en hij verheft zijn stem. ‘Laat me met rust, ik laat haar gewoon de stad zien!’ Hij kijkt even mijn kant op. Uiterst rustig blokkeert de agent zijn blikveld. ‘U kunt beter gewoon mijn vragen beantwoorden.’
Ik zie Armado steeds kleiner worden. Hij heeft dit al vaak meegemaakt.
Een golf van mededogen komt over me heen. Deze oude man is me lief geworden in een korte tijd. Bijna dagelijks nam hij mij afgelopen maand mee naar de fascinerende oude stadsdelen van Havana. Zijn verhalen raakten niet op, evenals mijn vragen.

De agent gebaart dat ik er weer bij mag komen staan.
‘Waar kent u deze man van?’
Gaan we nu een spelletje spelen? Maar ik weet, al is dit eiland soms net de ‘Truman Show’, dit is serieus, ik moet niet bijdehand doen.
‘Hij is mijn leraar.’
Geen blik of bloos. ‘Waar krijgt u les?’
Opnieuw wordt Armado boos. ‘Wat nou als ze een Cubana was geweest, had je me dan ook aangehouden?’
Even laat de agent zich afleiden, maar wendt zich dan weer tot mij. Ik besluit om maar gewoon antwoord te geven en leg uit dat ik logeer op een schooltje in de wijk Víbora.
De agent schrijft alles op zijn Grote Geheime Blocnote en stopt het in zijn tas.
Zo, weer een minnetje achter Armado’s naam. Handig voor als ze hem een keer ergens op willen pakken. Hoeveel minnetjes is hij verwijderd van een nachtje bij de Revolutiebroeders?
‘U kunt gaan.’

Zal die man hier nou plezier in hebben? Wat zegt hij ’s avonds tegen zijn vrouw terwijl ze de bloemetjesgordijntjes dicht doen? ‘Prima dagje mi amor, weer lekker een zwarte in z’n hempie gezet met zo’n Europese toerist.’
Ik kijk Armado aan en zie een beschadigde, oude man. Zijn gedrevenheid om over de historie van Cuba te vertellen is verdwenen. Voor de zoveelste keer wordt hij geconfronteerd met, zoals het zelf zegt, zijn ‘zwart zijn’. Hij gaat op een stoeprandje zitten, met als decor de prachtige, kleurrijke achtergrond van de door UNESCO gerenoveerde gebouwen.
Met een brok in mijn keel gebaar ik dat ik zo terug ben. In de hoop hem wat op te vrolijken, breng ik twee frisse tu Kola (Cuba’s enige echte eigen cola, als gevolg van het handelsverdrag met de VS) en twee broodjes perro caliente (warme hond, oftewel hot dog) mee van een (k)raampje in een steegje. Hij glimlacht, maar zijn ogen staan triest en hij geeft me een klopje op mijn schouder: ‘Het is gewoon zo oneerlijk.’

Lieve Armado, misschien kun je beter, net als velen van je landgenoten, je kop in het warme Caribische zand te steken, een flinke Cohiba roken en een Cuba Libre inschenken. Een glas tu Kola met een goede scheut rum, als symbool voor de toekomstdroom van een Cuba Libre, een vrij Cuba.
Het ga je goed!

Be careful what you wish for

Als God een dj is, waarom draait hij dan niet even een plaatje voor mij? De enige plaat die ik op dit moment hoor is het geruis van de zee in combinatie met mijn snelle heartbeat. Keihard en onregelmatig, visioenen aanwakkerend dat ik uitgedroogd in het zand lig en pas word gevonden als er niets meer te redden valt. Ik voel mijn onderlip langzaam omkrullen en begin zachtjes te huilen.

Het begon allemaal met die vrolijke Thai en zijn groene bootje. Hij kon me wel ff naar dat rustige eilandje brengen.
‘You special friend, only 1000 Baht’, zei hij met een enorme grijns.
‘1000 Baht?! Gister bracht je collega me voor minder dan de helft naar hier.’
‘Maar dit is heeeel ver weg, miss.
Volgens mijn Lonley Planet  was de afstand net zo groot. Maar ik had het heet, was moe en verlangde naar rust. Ik wenste dat het eiland volledig onbewoond zou zijn.
‘OK, we gaan.’

Doorgaan met lezen “Be careful what you wish for”

Reizen in moeilijke landen, hoe doe je dat?

Deze maand geen column, maar een recensie van het (met stip mijn Top 3 binnengekomen) reisboek Universele reisgids voor moeilijke landen van Jelle Brandt Corstius. Omdat reizen in moeilijke landen gewoon het aller- aller- allerleukst is. 

Met tips voor alleenreizende vrouwen (‘doe een trouwring om’), hoe je omgaat met corruptie (‘het verschil tussen een bandiet en een agent is op veel plekken flinterdun’), wat je moet doen als je aan de diarree raakt (‘zorg dat je de buschauffeur te vriend houdt’), suggesties voor als je het echt niet meer weet (‘schaam je niet om thuis te komen met foto’s van witte stranden’), welke soorten ‘mannetjes’ er allemaal zijn (…) en wat goed is voor je reiskarma.

Check de recensie op reisbijbel.nl.

Communistische salsa

Tussen de massa taxichauffeurs die op me af stiert bij de uitgang van het vliegveld komt een exotische, donkere jongen op me af. Hij kijkt een stuk vriendelijker dan de medewerkster achter het oostblokachtige loketje bij de paspoortcontrole, waar ik vanuit alle kanten in de gaten werd gehouden door bewapende militairen.
‘Welkom in Cuba! Ik ben Antonio.’
‘Dank je wel!’ Ik ben Gelukkig.

Ongegeneerd doet hij een stapje achteruit en bekijkt me van pony tot rood gelakte teennagels.
‘Juan kon je niet ophalen’, zegt hij terwijl hij de deur van een gifgroene Lada voor me openhoudt.
Welkom in Latijns-Amerika: als Juan niet komt, komt Antonio wel – en anders José, Pedro of Ricardo.

Het mysterie dat Fidel Castro heet
Fidel’s helden Che Guevara en José Martí kijken me uitdrukkingsloos aan vanaf de grijze gebouwen als we het Plein van de Revolutie passeren. Beelden van Castro zelf zie ik nog niet, al verdenk ik hem ervan me te begluren vanuit de vele oldtimers die voorbij pruttelen. Fidel is always watching you. Bewonderend kijk ik naar de kunstige muurschilderingen met Hasta la victoria siempre en Hasta siempre (Altijd op weg naar de overwinning en Voor altijd), die me wijzen op de revolutie. Op het puntje van het Capitool wappert de Cubaanse vlag, trots en onverwoestbaar, al zit hij vol scheuren. Ik tik Antonio op zijn schouder en vraag hem de krakende salsa een tandje harder te zetten. Wat een stad! Opgewonden steek ik mijn hoofd uit het raampje en ga op in alle beweging: volgepropte retro bussen, oude auto’s in allerlei kleuren, rijen gammele fietsen, kaartspelende mannen met een glas rum in de ene en een sigaar in de andere hand, omringd door dartelende donkere vrouwen in mini-jurkjes. Terwijl vrouwen en auto’s hun kleurigheid graag showen, zijn vervallen gebouwen hun kleur op vele plekken kwijtgeraakt. Zonder verlies van charme. Havana is een beeldschone stad vol tegenstrijdigheden: Amerikaanse slee’s, Russische Trabantjes, Chinese fietsen en Nederlandse bussen. Maar vooral: Cubaanse passie.

Cuba Culinair
Antonio parkeert de Lada in een smal straatje tussen twee roestige Chryslers. Op de hoek speelt een groepje oude mannen in witte pakken de Cubaanse son. Vlinders kriebelen in mijn buik.
‘Kom, we gaan Congris eten!’, zegt Antonio opgewekt.
Weg vlinders.
Congris is hét Cubaanse gerecht: bruine rijst en bonen met een lap varkensvlees of kip eroverheen gedrapeerd. Iets wat ik al twee maanden in afgeleide varianten eet tijdens mijn reis door Latijns-Amerika. Waarom vinden Cubanen dat toch zo’n traktatie? Of is het omdat ze weinig keus hebben? Naast de producten uit de communistische bonnenboekjes is er weinig beschikbaar voor de bewoners van dit land, dat niet alleen letterlijk maar ook figuurlijk een eiland is.

Het communisme – een illusie?
Bij een (k)raampje langs de weg met een verfrommelde menulijst erop geplakt doet Antonio onze uiterst gezonde bestelling.
‘Ik kom maar niet aan mijn dagelijkse twee ons groente’, flap ik eruit.
‘Je dagelijkse twee ons groente?’ Een vraagteken popt op boven zijn hoofd.
Als ik hem ‘De Schijf Van Vijf’ uitleg moet ik zelf net zo hard lachen als hij.
Rare Hollanders. Een regering die zich bemoeit met wat de bevolking eet.
Het Cubaanse regime houdt het volk op – laten we zeggen – heel andere vlakken in de gaten.

Snufje Nederland
Als later de auto niet wil starten, besluiten we het piepende Lada’tje te verruilen voor een piepende bus. Ik zie net nummer 49 richting Appingedam aankomen. Of zullen we de 22 naar Amsterdam nemen?
‘Er zijn ook moderne toeristenbussen met airco als je wilt’, zegt Antonio ongemakkelijk.
Fidel is in zijn poging een socialistische samenleving te creëren volledig de weg kwijt geraakt. Ik weet ook de weg niet, maar ik weet wel wat ik wil: the real Cuban experience.
‘Vamos!’

Liefde op het eerste gezicht
Appingedam blijkt synoniem voor Vibora, de wijk waar ik logeer. Als ik uitstap staat de moeder des huizes in gerafelde bloemetjesschort al op ons te wachten.
‘Hallo Carolina, welkom. Je zult wel honger hebben, ik heb Congris gemaakt!’
Mijn maag trekt samen. Dit keer niet van weerstand tegen rijst met bonen, maar van instant liefde voor deze stralende vrouw in deze geweldige stad. Het energieke, fascinerende Havana waar ik na een halve dag al meer van hou dan in mijn dromen.
Cuba: Hasta siempre

Ik schreef dit voor het reismagazine Reisbijbel.nl

DIt verhaal is ook in het Engels vertaald voor het KLM Blog.