Bolivia belivia

IMG_0413

Waar armoede is, is gevaar. Dat weet iedere doorgewinterde reiziger. Waar armoede is, zijn leugens. Ook dat weet je als reiziger. Maar persoonlijk zijn we er altijd heilig van overtuigd dat wij niet vallen voor kletspraat van arme locals die geld willen verdienen. Toch?

Zelfs niet in Bolivia, het armste land van Zuid-Amerika, waar ik samen met een Zwitsers verliefd stelletje nog helemaal high ben van een 3-daagse jeeptour over de witte, pure zoutvlaktes van Uyuni. Vanuit ons perspectief is alles en iedereen op dit moment zo puur als het witte zout, dus kopen we vol vertrouwen tickets voor de nachtbus bij een van de Indianenvrouwtjes op het ‘busstation’ (een rij gammele hutjes aan de rand van het dorp waar schreeuwende Bolivianen verfrommelde buskaartjes aan de man brengen). We kiezen voor het vrouwtje met de hardste stem en de zachtste prijs. Vanwege alle spookverhalen check ik nog even de veiligheid: ‘Is het OK om ’s nachts te reizen?’ Haar baby’tje én ons sussend, verzekert ze ons dat de chauffeur ons na een korte pauze op de busterminal van Potosí, waar hij bij ons zal blijven, keurig zal afleveren op de eindbestemming Sucre.
Vamos!

We slaan water en crackers in en wachten geduldig op onze bus. Rugtassen omgedoopt tot buiktassen, geld in onze moneybelt verstopt en zelfverzekerd uit onze ogen kijkend. Bankjes zijn er niet, dus we blijven staan en kletsen wat. Piepende bussen komen af en aan en stromen leeg met moeders met slapende baby’s op hun rug gebonden in prachtig gekleurde doeken. Passerende kinderen staren ons aan met hun nieuwsgierige, chocoladebruine oogjes. Een groepje oude mannetjes bekijkt ons uitgebreid en beginnen te smoezen. Langzaamaan, het is inmiddels donker, beginnen we ons minder op ons gemak te voelen. Is het niet toch beter om overdag te vertrekken? We denken alledrie hetzelfde, maar doen dat ook; we zeggen niks.

Er zijn verder alleen maar locals aan boord, wat zelden een goed teken is in een land als dit.

Uiteindelijk, 1,5 uur later, stopt er een roestig blik voor onze neus met een verfomfaaid papiertje in de vooruit: SUCRE. Het inpakritueel neemt ruim een half uur in beslag: ladingen plastic tassen, een gatenmand met 2 hanen, diverse muziekinstrumenten – alles gaat mee. Een deel wordt op het dak gebonden, al kiezen wij ervoor om onze tassen bij ons te houden. Ik neem plaats in een gerafeld bruin leren stoeltje, naast mijn partners in crime. Ik hou mijn adem in, bang dat het busje bij een zucht uit elkaar zal vallen. Er zijn verder alleen maar locals aan boord, wat zelden een goed teken is in een land als dit. Hun lijkt de stank niet op te vallen, maar ik word een beetje misselijk van de combi van lekkende benzine, een zurige zweetgeur en verbrande rijst.
Vamos!

Na een tijdje hortend en stotend pruttelen wordt de bus tot stilstand gebracht. De chauffeur stapt uit en verdwijnt in het donker. Niemand lijkt zich er iets van aan te trekken, behalve wij verwende reizigers, een vragende blik uitwisselend. De chauffeur moet vast even naar de wc. Plotseling wordt er hevig aan de bus gesjord. Oude mannetjes schrikken uit hun slaap. Tassen tuimelen over iedereen heen. De lampen gaan aan en uit. Wat is er aan de hand? Dan stapt de bestuurder weer in, schijnt met een zaklamp het gangpad in en neemt weer plaats. Welkom in Zuid-Amerika, waar je regelmatig niets snapt van waarom iets gaande is.
Vamos!

Iedereen maakt aanstalten om het voertuig te verlaten. Ook de chauffeur.

Ik weet dat de berglandschappen in Bolivia adembenemend zijn. Jammer dat ik slechts kan staren in de donkerte van de nacht. We stoppen af en toe om er wat mensen uit en in te laten en mogen op een vuilstortplaats onze behoefte doen (no, gracias).
Eindelijk komen we aan op het busstation in Potosí. Ik droomde het laatste stuk van zo’n lekker plakkerig Boliviaans chocoladecakeje van zo’n lokaal winkeltje, maar als ik naar buiten kijk kies ik toch maar weer voor een cracker uit mijn tas. Er liggen junkies op het met afval bezaaide asfalt te slapen en er lopen wat vage figuren rond. Verder staan er een paar krakkemikkige bussen geparkeerd. Iedereen, behalve drie donkere jongens met lange dreads, maakt aanstalten om het voertuig te verlaten. Ook de chauffeur.
‘Waar gaat u heen?’, vraag ik een beetje bezorgd.
‘Naar bed señorita, het is twee uur.’
‘Maar u zou bij ons blijven!’
‘Een collega zal u om 7 uur verder brengen.’
Oh, dat ticketvrouwtje…!
‘Voor niemand de deur open doen hè.’
Dus dit is de plek waar we de komende 6 uur moeten doorbrengen? Voorlopig zullen we nog niet aankomen op onze bestemming Sucre.
Een van de jongens, het blijken Colombiaanse muzikanten, ziet onze bezorgde koppies en start een gesprek. Volgens hem gaan er ook taxi’s naar Sucre, vanaf 4:00 uur. Ik overleg met de Zwitsers en we zijn het direct eens, om klokslag 4:00 uur zijn wij hier weg.

Als ik net een beetje in slaap begin te vallen op de harde stoel – handen om mijn bagage geklemd en gordijntje dicht om me te beschermen tegen de rondscharrelende mannetjes – schrik ik op van gebonk. Ik open mijn ogen en zie een grote man met een verdwaasde blik aan de deurknop trekken.
‘Doe open!’
Niet aankijken, niet aankijken.
‘Laat me er in!’
Wat als hij erin slaagt de deur te breken en zichzelf samen met zijn louche medebewoners van de busterminal binnen laat om ons te verkrachten en beroven? Een rilling kruipt over mijn rug. Ik gluur onder mijn geïmproviseerde dekentje naar mijn Zwitserse freunden en zie dat het meisje geschrokken iets in het oor van haar vriend fluistert. De Colombianen daarentegen zijn wel wat gewend, die liggen opgekruld in coma. Weer bonkt de dronkenlap op de deur en probeert de bus in beweging te zetten. Ik trek de doek verder over me heen. Ik heb het koud, ben moe en moet plassen. Ik heb in geen tijden zo naar een warme douche en een zacht bed verlangd.

Even later schrik ik opnieuw wakker van iemand die de bus in probeert te komen. Dit keer negeer ik hem, het is kwart over 4! Ik maak de Zwitsers wakker en stel voor om een taxi te zoeken. Als we naar buiten kijken is er geen auto te bekennen. De moed zakt me opnieuw in de schoenen. Maar even later zien we een glimmende witte Peugeot het terrein op rijden met een telefoonnummer op zijn deur. Als dat geen taxi is.
Vamos!

In onze privélimo gaan we richting Sucre, ‘de witte stad’. Net als de zoutvlaktes – wit, puur en schoon – precies waar ik behoefte aan heb. Maar eerst leg ik mijn hoofd in de zachte hoofdsteun om de komende uren te genieten van de mooie landschappen. Want soms gaat het niet om de bestemming, maar om de reis.

Advertenties