Het Colombiaanse leven – Eten, dansen en beminnen

In Colombia is iedereen aan de coke, elke dag wordt er een onschuldige ziel voor je neus doodgeschoten en niemand is te vertrouwen. Dat is ongeveer het beeld dat men vaak heeft van dit Zuid-Amerikaanse land. Terecht? Er een jaartje vertoeven doet verhalen ontstaan die ik graag wil delen. Verhalen die de realiteit laten zien, en vooral de positieve kanten. Over salsadansen met je ogen dicht, lokale beroemdheden eren, verliefd worden, je verwonderen in de Colombiaanse ‘Ikea’, nieuwe gewoontes aanleren, wegrennen voor legertanks, sjoemelen voor een verblijfsvergunning… Daarom dit blog als ode aan deze waanzinnige plek op aarde! Wie weet volgen er meer…

De slogan van het toeristenbureau speelt slim in op de heersende angst voor het land: El unico riesgo es que te quieras quedarHet enige risico is dat je wilt blijven. Klopt. Want je raakt gemakkelijk bevriend met de mensen (zonder cocaïne), merkt dat die onschuldige zielen bewust kiezen om te léven en ontdekt al snel dat de meeste mensen gewoon te vertrouwen zijn.

Salsa, salsa, salsa
Het begon allemaal met een kop koffie op een zonnige patio in een van de smalle straatjes van San Antonio in Cali. Een pittoresk, koloniaal wijkje, midden in deze industriestad. Maar naar Cali ga je dan ook niet voor de schoonheid van de stad, maar voor de salsa. En als je van salsa houdt, is architectuur van ondergeschikt belang. Want naast rook van alle fabrieken, ademt Cali de hele dag salsa; in de supermarkt, in de taxi, op straat, bij de apotheek, overal. En dat is precies de reden dat ik hier ben.

Als je je een jaar in een land wilt settelen, moet je nieuwe gewoontes, moves en woorden aanleren

Hier ontbreekt niets
Op mijn aankomstdag vertelt Claudia, bij wie ik een kamer huur voor een paar maanden, me onder het genot van die koffie alles over de beste salsascholen in de buurt. Claudia heeft haar huis deels verbouwd tot B&B. Zo ontmoeten wij – de Colombiaanse Camilo, de Duitse Robert, de Amerikaanse Steve en ik – dagelijks niet alleen vrienden en familie van Claudia, maar ook reizigers uit alle hoeken van de wereld met wie we etend, filosoferend en dansend de patio delen. Ik voel me al snel thuis. San Antonio is een mooie gekleurde vlek in een rommelige stad. Het voelt als een dorp; je haalt je groente en fruit bij Manuel (alleen al voor de wonderlijke vruchten moet je naar Colombia), eet traditionele lunches bij El Zaguan (Colombianen eten ’s middags warm, vaak buiten de deur), drinkt goede koffie bij Macondo (niet altijd makkelijk vindbaar, de beste koffiebonen worden geëxporteerd) en belt aan bij apotheker John als je acetaminofen nodig hebt (de Colombiaanse paracetamol). Lekker overzichtelijk. Alleen als je naar een supermarkt wilt, moet je ‘naar de overkant’. Zo zijn de Britse Caroline en ik het gaan noemen. Want daar is het rauwe Cali. Sinds ik haar ontmoette, gaan we elke vrijdag de loopbrug over voor onze grote boodschappen – en een nieuw salsajurkje natuurlijk – om het centrum vervolgens de rest van de week te vermijden. Het is er vol en vies: drukke straten met toeterende auto’s gitzwarte rook uitpuffend, krioelende mensen voor en achter kraampjes volgestouwd met koopwaar. Geen mooie inheemse producten, maar kunststof schoenen voor 2.500 Pesos (1 Euro) en magische crèmes die je billen ronder zouden maken. Toch hou ik ook van dit soort plekken. Voor een uurtje. Je zou het net zo goed authentiek kunnen noemen als de inheemse marktjes.
Ook als je naar een salsaclub wilt moet je San Antonio verlaten. Gelukkig maakt salsadanser Ricardo regelmatig een tussenstop bij bar Tostaki (een snel uitgesproken Todo está quí. ‘Hier ontbreekt niets’) om las dos Carolinas op te halen voor een dansje  – zo noemen ze ons hier in de wijk.

Go local
Als je je een jaar in een land wilt settelen, moet je nieuwe gewoontes, moves en woorden aanleren. Zo legt Claudia me uit dat je nooit je tas op de grond moet zetten. ‘Brengt ongeluk!’ Als ik mijn salsaleraar Victor uitleg dat er in Europa vooral met hoofd en armen wordt gedanst, laat hij me zien dat het in Colombia gaat om heupen en voetenwerk. Camilo leert me Colombiaanse woorden, zoals bacano (gaaf, cool), parcero (vriend, maatje) en vaina (ding, manier) en de hoe-gaat-ie-groet ‘Qúe más?’ (‘Wat nog meer’). Volgens huisgenoot Steve (en volgens de boekjes) wonen in Cali de mooiste vrouwen van het land. Ze zijn prachtig, zeker, maar helaas met veel chirurgisch aangebracht billen en borsten. Ook Robert heeft me iets te leren, namelijk dat ze in San Antonio zelfs zuurdesembrood verkopen (belangrijk voor een Duitser natuurlijk). De rest van de Colombiaanse gewoontes rijmen perfect met de Latijns-Amerikaanse cultuur, dus ik hoef niet meer te oefenen met niet-zo-stipt-op-tijd komen, een zoen in plaats van een hand bij ontmoetingen en niet al te direct zijn. Dat gaat inmiddels vanzelf.

‘Gracias a Dios’, denk ik – om mijn blijdschap maar op de nationale manier uit te drukken :)

Daar istie dan
Op een willekeurige donderdag lig ik lekker heen en weer te wiegen in de hangmat, zoals ik iedere dag doe in de namiddagzon op de patio. En dan is daar die man… fotograaf Óscar uit Bogotá. Met zijn prachtige zwarte krullen en diepbruine ogen gaat hij tegenover mijn hangmat zitten. Terwijl hij zijn doordringende blik geen seconde loslaat, kletsen we totdat het donker wordt. Ik heb al snel door dat hij geen ‘standaard’ Latino is. Latino’s zijn nu eenmaal vaak vrouwenversierders, daar worden ze mee opgevoed. Maar deze man lijkt anders. Gestudeerd, heeft zijn eigen fotostudio, luistert naar muziek búiten Zuid-Amerika en weet meer van kunst, geschiedenis en politiek dan een gemiddelde wetenschapper. Dit in combi met het ontbreken van gladde praatjes maakt hem behoorlijk interessant. Dus ik app:

– Caro, ik neem vanavond een Colombiaan mee. 21.00 uur bij Tostaki?
– Can’t wait!

Om 21:10 uur houdt Oscar de zware, houten voordeur voor me open, die ik vervolgens zoals altijd dubbel op slot draai met de even zo zware sleutel. We lopen samen de straat op, waar een warm zwoel briesje waait. Eventjes legt hij zijn hand op mijn onderrug. Vlinders! Deze avond gaan we naar Topa Tolondra, een van mijn favoriete salsaclubs: zo’n oude, donkere tent, vol met foto’s van salseros aan de afgebrokkelde stenen muren, waar de hele nacht wordt gedanst. We hebben het fijn, al blijkt Oscar niet zo’n salsadanser te zijn als de meeste mannen uit deze regio. Dat komt door zijn roots in Chiquinquira, een klein dorpje vlakbij Bogotá, waar ze meer folklore dansen dan salsa. Ik besef dat dat maakt tot wie hij is; niet zo’n versierder zoals de Caleños, de mannen uit Cali. ‘Gracias a Dios’ (goddank), denk ik – om mijn blijdschap maar op de nationale manier uit te drukken :)

Afscheid
Als ik hem de volgende dag bij het ontbijt zie, grote Canon in de hand, nodigt hij me uit voor de workshop die hij gaat geven aan een groep fotografiestudenten. Hem de wijze fotograaf uit zien hangen maakt hem nog aantrekkelijker. Het afscheid de volgende dag is daardoor zwaarder dan ik toe wil geven. Ik zwaai de gele taxi dromerig na. Zal ik hem ooit nog zien? Met een knoop in mijn maag kruip ik in de hangmat in de hoop dat het wiegen me zal sussen. Claudia komt aangesneld: ‘Komt hij nog terug?’ Gelukkig heb ik dezelfde avond al een mailtje en twee weken later pakt hij het vliegtuig naar Cali. Een maand daarna opnieuw. Dit keer blijft hij lang. We genieten van smeuïge muffins bij Zahavi, kijken oude films bij Macondo, bezoeken het filmmuseum Caliwood, slenteren door de straatjes van San Antonio en dansen bij Tin Tin Deo, Zaperoco, Topa en Las Brisas.

Nu is het tijd voor mij om hem op te zoeken. Bogotá, here I come. 

Advertenties

Mijn lieve groene vestje

‘Hij is écht wat voor jou’, had mijn vriendin me op het hart gedrukt. het ging over een  zakelijk contact van haar.
Na zoveel mogelijk details over hem te hebben losgepeuterd, besloot ik hem een mailtje te sturen. Twee weken lang mailden we elke dag.

Dan is het zover: onze eerste date. Op het allerlaatste moment kom ik erachter dat mijn favoriete bloemenjurkje gewoon in de kast hangt, maar mijn dito véstje in de wasmand ligt. Uit ervaring weet ik: dit vestje brengt me altijd geluk. Hoe moet dat nou? Snel doop ik het in een emmer sop, terwijl ik mijn hersens kraak over hoe het op tijd droog te hebben. De droger van een buurvrouw? Is er niet. Föhnen dan? Duurt te lang. Gelukkig blijkt m’n vriendin een droger te hebben.
Ik pak m’n fiets en sjees naar haar toe.
Bij haar aangekomen – mijn trouwe vestje stevig onder m’n arm geklemd – denk ik bezorgd.
Wat als het nou niet op tijd klaar is? Of er in miniformaat uit komt? Ik besluit ’t toch maar zelf te drogen en ga terug naar huis. Dat wordt heel hard rondjes rennen ermee, als een getrainde torero.
Alsof ik daar tijd voor heb.
Thuis hang ik het aan het open raam en spring onder de douche. Na mijn uitgebreide beautysessie zal het toch wel droog zijn?

Als ik onder de douche vandaan kom blijkt mijn groene lievelingsvestje er niet meer te hangen! Met m’n adem in kijk ik in de dakgoot. Aan het uiterste puntje van een mouwtje weet ik ‘t nog net te grijpen. Nu is het nat én vies. Ik heb nog een kwartier. Met het zweet op m’n voorhoofd föhn en wapper ik tot ik een ons weeg. Wat een gedoe. Waarom eigenlijk? Misschien is hij wel helemaal niet leuk. Ik wurm het klamme ding over m’n jurkje, glos m’n lippen en stap vol goede moed op de fiets.
Als ik een paar weken later met mijn vriendin aan de telefoon zit, wend ik even mijn blik af naar buiten. Als vanzelf verschijnt er een glimlach op m’n gezicht. De kledinghanger in de dakgoot herinnert me aan die leuke date, onze eerste ontmoeting. En aan de tweede, de derde, de vierde…

Ik zei toch dat het een succesvestje was.

Van die ‘Nou hè’-blikken

‘Kom je soms helpen wijffie?’, vraagt de Utrechtse sneeuwscheppende kerstboomverkoper als ik van m’n fiets stap, voorkomend dat ik languit ga over de Adelaarstraat.
Waarom niet, ik ben in een goeie bui en ik heb toch niks te doen. ‘Is goed!’
Het is een hilarisch gezicht, de stoere man met mijn rode tas om zijn schouder.
Enthousiast wil ik mijn schepkunsten inzetten, maar nog voordat ik een haal wil maken, glipt de schep weg. Met mij. Net op tijd weet ik me vast te grijpen aan zijn arm.
‘Wil je een lekker warm bakkie mop?’, en hij haalt een themosfles met koffie uit zijn tas.
Ik knik.

‘U ziet hier zeker de hele dag mensen onderuit gaan?’, vraag ik lachend.
‘Ket’r nog geenéén zien goan hoor’, en hij geeft me een knipoog.

Fascinerend, wat 20 cm sneeuw in ons landje teweegbrengt. Het zorgt voor verbinding, nationale vrede, ik zou haast zeggen magie. Alles voelt anders. Grenzen vervagen, geluiden worden gedempt. Het werk mag wachten, de open haard gaat aan. Even gaat het alleen maar over sneeuw. Kinderen verenigen zich om de mooiste sneeuwpop te maken (hoewel die sneeuwpiemel op de Hardebollenstraat* vast niet door 6-jarigen is gemaakt), mensen zeggen elkaar ineens gedag en wisselen continu van die blikken als: ‘nou hè, mooi hè, tis wat hè’. We begrijpen elkaar.

Als ik een wandeling maak, zoek ik naar de ongereptheid, plekken waar nog niemand zijn voetstappen in heeft gezet. Heerlijk, de sensatie van de eerste lik uit een nieuwe pot pindakaas!
Dan verlichten koplampen van een auto achter me mijn blikveld. Wauw. Een fractie van een seconde laat ik me meeslepen door een paradijselijke illusie: dus zo ziet de hemel eruit.
Geef mij maar échte winters.

* De hoerenbuurt in het centrum van Utrecht.

Het meisje en de indiaan

In gedachten verzonken loop ik de trap af in de bibliotheek.
‘Hola!’, klinkt een enthousiaste mannenstem.
Meteen ontwaakt zeg ik hola terug – een ‘hola’ vergt direct mijn aandacht. Al doorlopend kijk ik achterom en ontmoet de vriendelijke donkere kijkers van een getinte man met lange staart.
‘Cómo estás?’
‘Bien’, roep ik lachend, steek mijn hand op en loop verder.
Maar wat hem betreft blijft het hier niet bij. Alsof iemand hem met een pijl in zijn rug heeft beschoten grijpt hij zijn rugzakhendels en rent terug naar beneden.
‘Hablas español?!’ Of ik Spaans spreek. Zijn ogen fonkelen samen met een grote grijns op zijn gezicht.
‘Sí.’

Ik besluit om toch maar even te blijven staan.
Ruim een uur staan we te kletsen op de gang van de bieb. Wat een schatje. Als hij vraagt wat ik ga doen zeg ik dat ik onderweg ben naar ‘la Hema’. Hij stelt voor om mee te lopen. Ik stel voor om koffie te gaan drinken.

Ik voel me op mijn gemak, kijkend in die grote bruine ogen van deze – zo blijkt – Colombiaan. Terwijl het zonnetje schijnt vergeten we de tijd. Zijn levensverhaal intrigeert me, hij draagt flink wat bagage met zich mee. Wat zal er eigenlijk allemaal in zijn rugzak zitten? Zal me niets verbazen als hij ineens zijn panfluit tevoorschijn haalt en een liefdeslied voor me speelt.

Een paar uur later, voor de deur van de Hema wil ik hem gedag zeggen. Maar hij heeft een ander plan: hij gaat mee. Tja, waarom niet? Binnen zeg ik plagerig dat hij als een hond achter me aanloopt (wat ik stiekem heerlijk vind). Quasi boos knijpt hij me zachtjes in mijn zij, waarop ik hem een tik op zijn pet verkoop. We starten een gevecht tussen de paraplu’s.

Precies vandaag, als ik datgene meemaak waarvan ik dacht het nooit mee te maken, heb ik uberhuishoudelijke dingen nodig. Niet gewoon een leuk bh’tje, nagellakje of tasje, nee mijn lijstje zegt: douchegordijn, wekker, afwasteil. Ik ben ook maar een mens. Wat nu, doen alsof ik allemaal hele gave dingen nodig heb?

‘Welke vind jij mooier?’, vraag ik terwijl ik twee douchegordijnen omhoog houd.
Geslaagd, hij kiest de mooiste. Ook bij het uitzoeken van een wekker vallen we voor dezelfde.
Echter bij de afwasteilen ben ik teleurgesteld. Niet in hem, maar ik verwacht van mijn geliefde Hema kleurrijkere gezelligere wasteilen.
‘Ik wil roze met bloemetjes!’, roep ik uit.
Dios mío, wat zeg ik nou? Wat zal hij wel niet denken, dat ik een of andere ama de casa (huisvrouw) ben?
Maar nee hoor, deze indiaan schrikt nergens van. ‘Dan moeten we naar de Xenos!’
Daar sta je dan, in de Hema, met een wildvreemde man uit Colombia, het assortiment wasteilen te bekijken, terwijl hij tipt dat Xenos the place to be is.
Even kijken we elkaar onderzoekend aan, alsof we checken of de ander nog wel samen tijd door wil brengen. Dan bevestigen we het plan met ‘¿Por qué no?’

Onderweg registreer ik niets van wat er om me heen gebeurt. Alleen zijn mooie mond, glinsterende ogen en lange zwarte golvende haar trekken mijn aandacht. Kun je als vrouw voorspellen dat je ooit zo’n mooie man in de bibliotheek tegen het lijf loopt?

Ook Xenos blijkt geen bebloemde teilen te verkopen. Alsof het me nog iets kan schelen. Latino vraagt in zijn beste Engels aan de verkoopster of ze geen bloemen hebben. De schat. Het antwoord is nee. Het had me niet verbaasd als hij nu had voorgesteld om ook nog even bij V&D te gaan kijken.

Nu is het echt tijd om afscheid te nemen. Het is een beetje een situatie à la de film Before Sunrise. Zullen we elkaar nog terugzien na deze bijzondere middag?

Mijn grote vriend

VW busje

Alsof ze elkaar hebben opgeroepen om bij mij in de buurt te gaan rondtoeren, die witte busjes. Om me er aan te herinneren dat het uit is met m’n vriend. Precies van dát merk waar hij in rijdt – dat Duitse – zijn er minstens honderdduizendmiljoen gemaakt. Die Duitsers ook altijd!

Voordat ik mijn ex leerde kennen, lette ik nooit zo op witte busjes. Waarom zou ik? Maar vanaf het moment dat het áán was natuurlijk wel. Overal was ik alert. Ik zag er een hoop, maar hem zag ik nooit. Tot de ene dag.

Daar stond-ie dan, bij het stoplicht, het mooie ouwe witte barrel. Al zag ik door de felle zon niet of m’n ex-vriend erin zat, de bus herkende ik uit duizenden: de unieke deuken aan de zijkant, de roestplekken op de linkerdeur en de glimlach op zijn bolle gezicht. Even leek het of hij naar me knipoogde met zijn rechter koplamp. “Heee!”, riep ik een beetje van slag en wapperde met m’n sjaal. Maar vanachter het stuur werd niet teruggezwaaid.

Huh?
Normaal gesproken zou ik m’n vriend meteen gebeld hebben: ‘Hé gekkie, zag je me niet?’ Maar hij was m’n vriend niet meer.

Het enige wat ik nog over heb, is totaal overbodige kennis van busgeluiden. Met m’n ogen dicht kan ik bepalen of het een busje is dat door mijn straat rijdt. Op het moment dat dat zo is, spring ik meteen van m’n stoel. Ik zie er een hoop, maar hem zie ik nooit. Wat heeft zijn baasje hier nog te zoeken?

Tot vandaag. Daar staat-ie dan, totaal onverwacht, pal voor m’n deur. Dat witte barrel dat ik overal denk te zien. Met m’n lieve ex er in, die naar me zwaait. Ondanks m’n oude joggingbroek en ongemodelleerde haar, duwt de stoot adrenaline me automatisch richting de voordeur. Eindelijk, ik kan ’m weer even aanraken.
Mijn ex komt iets afgeven.
Mmm, wat voelt hij lekker. Stevig, warm en veilig. Zo vertrouwd. Ik  geef een zoen op linkerdeur en linkerwang en zeg voor altijd vaarwel.

 

Magische band

Je maakt een foto van die prachtige kerk, dat adembenemende landschap of een schattige oude tram in dat verre land. Sommige foto’s zijn zo mooi, dat je ze thuis ophangt. Bij mij in de woonkamer hangt het straatje waar ik woonde in Barcelona. Zo ben ik altijd nog een beetje daar.


Maar het zijn niet alleen die kerk, het landschap, die tram of die straat die zijn vastgelegd op de foto. In mijn Spaanse straatje fietsen een man en een vrouw je tegemoet en er lopen allerlei mensen rond. Wie zijn dat, hoe heten ze, hoe klinken hun stemmen, zijn ze Spaans of niet, waar gaat hun reis naartoe? Zij zelf hebben er geen weet van dat ik elke dag even naar ze kijk. Hun gezichten staan op mijn netvlies gebrand. Ik heb het gevoel dat ik ze een beetje ken.

Zou ik ook ergens aan de muur hangen, in een ver land? Sta ik bij iemand op zijn nachtkastje? Als ik er straks niet meer ben, leef ik misschien wel voort in Guatemala, China, Italië of wie weet in Groenland? Verbonden door het werk van de fotograaf: een eeuwige verbinding tussen het land en mij.

Als je je eens even goed concentreert…
Met welk land voel jij een onverklaarbare magische band?
Dikke kans dat je daar aan de muur hangt!

Romantiek in een envelop

De postbode is aan de overkant. Over maximaal een half uur zal hij hier zijn. Het is 14 februari, ik hoop op spannende Valentijnspost. Al heb ik geen vriendje, misschien wel een stille aanbidder?

Ik ga boodschappen doen. Als ik later terug kom moet de postbode ondertussen geweest zijn, dus ik open lichtelijk opgewonden mijn brievenbus. Niets. Leeg. Er ligt helemaal niets in mijn brievenbus. Ik loop terug naar de stoep om te kijken of hij hier echt al geweest is. Hij is al bij de buren. Even bekruipt me een teleurgesteld gevoel. Direct roep ik mezelf tot de orde en loop naar boven. Als ik de sleutel in het sleutelgat van mijn voordeur steek, kijk ik nog even opzij. Door het raam zie ik dat de postbode weer terug is gekomen naar het gebouw waar ik woon! In één van de bussen stopt hij een envelop. Zou die voor mij zijn? Ik kan niet zien of het om mijn brievenbus gaat. Meteen wil ik terug rennen naar beneden. Maar ik doe het niet. Wat een belachelijk idee.

Als ik binnen ben laat de mysterieuze envelop me niet los. Het kan toch geen toeval zijn dat de postbode terugkwam? Terug om die speciale boodschap in mijn box te stoppen, om de spanning op te bouwen, dat mooie moment te creëren. Omdat het te desperate zou zijn om speciaal hiervoor naar beneden te lopen, bedenk ik een supergoede smoes: ik moet het oud en papier nodig wegbrengen, en ach, dan kom ik toch langs de voordeur. Kan ik toch net zo goed terloops mijn brievenbus checken? Ik loop naar de berging, verzamel wat papier en ren de trap af. Met bonzend hart gluur ik door het gaatje van mijn brievenbus. Er ligt iets in! Ik zei toch dat het bij de mijne was. Het is geen rode envelop, een witte. Hoeft ook niet perse, wit mag ook. Sterker nog, ik hou helemaal niet van die zoetsappige boodschappen, met wit ben ik zelfs veel blijer. Het is vast een hele grote kaart, droom ik terwijl ik zit te porren in het sleutelgat. Ik krijg het slotje niet open, ik heb geen geduld om de sleutel er rustig in te manoeuvreren. Als hij eindelijk open is, weet ik niet hoe snel ik de envelop eruit moet graaien. Wat spannend! Ik draai hem om om te kijken of ik het handschrift herken, het handschrift van mijn aanbidder. Een handschrift valt er echter niet te herkennen, wel een logo. Dit log ken ik. Het is het oranje met rode logo van de Gemeente Utrecht.

Mijn Valentijnspost dit jaar is een belastingaanslag van 275 euro. Ze druven wel, dit noem ik nog eens een hoge dosis romantiek!

I [heart] koffie

Pleur. Zwart goud. Leut. Troost. Bakkie. Slemp. Slobber. Negerzweet. 
Oftewel: koffie.

“Een cappuccino en een americano alsjeblieft”, zeg ik, met naast me mijn vriendin. Even later, genesteld in de hoek van de koffiebar met de warme kop cappuccino tussen mijn handen geklemd, luister ik naar haar verhaal. De nieuwste ontwikkelingen komen voorbij en details van een spannende reis passeren de revue. We maken volop plannen voor de toekomst. Dankzij de geur van de vers gezette koffie gelóven we in onze plannen. In de liefde. In het leven. In elkaar. Dit is er weer zo eentje, zo’n sfeerverhogende bak zwart goud. Door de damp heen kijk ik mijn vriendin diep in de ogen. Eventjes hou ik extra veel van haar.

Een verse dampende beker koffie haalt het beste in een mens naar boven. Koffie is altijd een excuus om iemand te ontmoeten. Om even stil te staan. De geur, die je neusvleugels zachtjes streelt, heelt alle wonden. De smaak: pittig, rauw, zacht en opwindend, maakt alles goed. Het smaakt naar hoop – ofzoiets. Dat we maar meer koffie mogen drinken, samen met de mensen van wie we houden.