Publicatie Te Gast in Colombia

Het boekje TE GAST IN Colombia is uit! Een nieuwe uitgave in de serie TE GAST IN.

Een publicatie die net zo kleurrijk is als het land zelf. Naast praktische info, lees je er persoonlijke verhalen van schrijvers en journalisten die een speciale band hebben met dit waanzinnige land. Ik mocht er aan bijdragen met een artikel over salsamuziek en dans.

Blader door de digitale preview en/of lees mijn stuk Salsa moet je voelen (PDF).

Advertenties

Bolivia belivia

IMG_0413

Waar armoede is, is gevaar. Dat weet iedere doorgewinterde reiziger. Waar armoede is, zijn leugens. Ook dat weet je als reiziger. Maar persoonlijk zijn we er altijd heilig van overtuigd dat wij niet vallen voor kletspraat van arme locals die geld willen verdienen. Toch?

Zelfs niet in Bolivia, het armste land van Zuid-Amerika, waar ik samen met een Zwitsers verliefd stelletje nog helemaal high ben van een 3-daagse jeeptour over de witte, pure zoutvlaktes van Uyuni. Vanuit ons perspectief is alles en iedereen op dit moment zo puur als het witte zout, dus kopen we vol vertrouwen tickets voor de nachtbus bij een van de Indianenvrouwtjes op het ‘busstation’ (een rij gammele hutjes aan de rand van het dorp waar schreeuwende Bolivianen verfrommelde buskaartjes aan de man brengen). We kiezen voor het vrouwtje met de hardste stem en de zachtste prijs. Vanwege alle spookverhalen check ik nog even de veiligheid: ‘Is het OK om ’s nachts te reizen?’ Haar baby’tje én ons sussend, verzekert ze ons dat de chauffeur ons na een korte pauze op de busterminal van Potosí, waar hij bij ons zal blijven, keurig zal afleveren op de eindbestemming Sucre.
Vamos!

We slaan water en crackers in en wachten geduldig op onze bus. Rugtassen omgedoopt tot buiktassen, geld in onze moneybelt verstopt en zelfverzekerd uit onze ogen kijkend. Bankjes zijn er niet, dus we blijven staan en kletsen wat. Piepende bussen komen af en aan en stromen leeg met moeders met slapende baby’s op hun rug gebonden in prachtig gekleurde doeken. Passerende kinderen staren ons aan met hun nieuwsgierige, chocoladebruine oogjes. Een groepje oude mannetjes bekijkt ons uitgebreid en beginnen te smoezen. Langzaamaan, het is inmiddels donker, beginnen we ons minder op ons gemak te voelen. Is het niet toch beter om overdag te vertrekken? We denken alledrie hetzelfde, maar doen dat ook; we zeggen niks.

Er zijn verder alleen maar locals aan boord, wat zelden een goed teken is in een land als dit.

Uiteindelijk, 1,5 uur later, stopt er een roestig blik voor onze neus met een verfomfaaid papiertje in de vooruit: SUCRE. Het inpakritueel neemt ruim een half uur in beslag: ladingen plastic tassen, een gatenmand met 2 hanen, diverse muziekinstrumenten – alles gaat mee. Een deel wordt op het dak gebonden, al kiezen wij ervoor om onze tassen bij ons te houden. Ik neem plaats in een gerafeld bruin leren stoeltje, naast mijn partners in crime. Ik hou mijn adem in, bang dat het busje bij een zucht uit elkaar zal vallen. Er zijn verder alleen maar locals aan boord, wat zelden een goed teken is in een land als dit. Hun lijkt de stank niet op te vallen, maar ik word een beetje misselijk van de combi van lekkende benzine, een zurige zweetgeur en verbrande rijst.
Vamos!

Na een tijdje hortend en stotend pruttelen wordt de bus tot stilstand gebracht. De chauffeur stapt uit en verdwijnt in het donker. Niemand lijkt zich er iets van aan te trekken, behalve wij verwende reizigers, een vragende blik uitwisselend. De chauffeur moet vast even naar de wc. Plotseling wordt er hevig aan de bus gesjord. Oude mannetjes schrikken uit hun slaap. Tassen tuimelen over iedereen heen. De lampen gaan aan en uit. Wat is er aan de hand? Dan stapt de bestuurder weer in, schijnt met een zaklamp het gangpad in en neemt weer plaats. Welkom in Zuid-Amerika, waar je regelmatig niets snapt van waarom iets gaande is.
Vamos!

Iedereen maakt aanstalten om het voertuig te verlaten. Ook de chauffeur.

Ik weet dat de berglandschappen in Bolivia adembenemend zijn. Jammer dat ik slechts kan staren in de donkerte van de nacht. We stoppen af en toe om er wat mensen uit en in te laten en mogen op een vuilstortplaats onze behoefte doen (no, gracias).
Eindelijk komen we aan op het busstation in Potosí. Ik droomde het laatste stuk van zo’n lekker plakkerig Boliviaans chocoladecakeje van zo’n lokaal winkeltje, maar als ik naar buiten kijk kies ik toch maar weer voor een cracker uit mijn tas. Er liggen junkies op het met afval bezaaide asfalt te slapen en er lopen wat vage figuren rond. Verder staan er een paar krakkemikkige bussen geparkeerd. Iedereen, behalve drie donkere jongens met lange dreads, maakt aanstalten om het voertuig te verlaten. Ook de chauffeur.
‘Waar gaat u heen?’, vraag ik een beetje bezorgd.
‘Naar bed señorita, het is twee uur.’
‘Maar u zou bij ons blijven!’
‘Een collega zal u om 7 uur verder brengen.’
Oh, dat ticketvrouwtje…!
‘Voor niemand de deur open doen hè.’
Dus dit is de plek waar we de komende 6 uur moeten doorbrengen? Voorlopig zullen we nog niet aankomen op onze bestemming Sucre.
Een van de jongens, het blijken Colombiaanse muzikanten, ziet onze bezorgde koppies en start een gesprek. Volgens hem gaan er ook taxi’s naar Sucre, vanaf 4:00 uur. Ik overleg met de Zwitsers en we zijn het direct eens, om klokslag 4:00 uur zijn wij hier weg.

Als ik net een beetje in slaap begin te vallen op de harde stoel – handen om mijn bagage geklemd en gordijntje dicht om me te beschermen tegen de rondscharrelende mannetjes – schrik ik op van gebonk. Ik open mijn ogen en zie een grote man met een verdwaasde blik aan de deurknop trekken.
‘Doe open!’
Niet aankijken, niet aankijken.
‘Laat me er in!’
Wat als hij erin slaagt de deur te breken en zichzelf samen met zijn louche medebewoners van de busterminal binnen laat om ons te verkrachten en beroven? Een rilling kruipt over mijn rug. Ik gluur onder mijn geïmproviseerde dekentje naar mijn Zwitserse freunden en zie dat het meisje geschrokken iets in het oor van haar vriend fluistert. De Colombianen daarentegen zijn wel wat gewend, die liggen opgekruld in coma. Weer bonkt de dronkenlap op de deur en probeert de bus in beweging te zetten. Ik trek de doek verder over me heen. Ik heb het koud, ben moe en moet plassen. Ik heb in geen tijden zo naar een warme douche en een zacht bed verlangd.

Even later schrik ik opnieuw wakker van iemand die de bus in probeert te komen. Dit keer negeer ik hem, het is kwart over 4! Ik maak de Zwitsers wakker en stel voor om een taxi te zoeken. Als we naar buiten kijken is er geen auto te bekennen. De moed zakt me opnieuw in de schoenen. Maar even later zien we een glimmende witte Peugeot het terrein op rijden met een telefoonnummer op zijn deur. Als dat geen taxi is.
Vamos!

In onze privélimo gaan we richting Sucre, ‘de witte stad’. Net als de zoutvlaktes – wit, puur en schoon – precies waar ik behoefte aan heb. Maar eerst leg ik mijn hoofd in de zachte hoofdsteun om de komende uren te genieten van de mooie landschappen. Want soms gaat het niet om de bestemming, maar om de reis.

Land Rover verovert land

mg_6982-copiar

Een jaar lang door Zuid-Amerika trekken in je eigen huis op wielen, met nog geen 4.000 dollar op zak. Vrijheid. Iedere dag een nieuw avontuur. En nog zacht voor het milieu ook. Onmogelijk? De Chileense hippie Jaime Silva bewijst dat het kan. Vanuit Chili is hij met zijn Land Rover El Gordo Fritanguero al door Peru, Ecuador en Colombia getrokken. En hij heeft nog dollars over. Wat het geheim is? El Gordo rijdt op plantaardige, gebruikte olijfolie.

Ik ontmoet de goedgehumeurde Jaime op de hoek van een straatje in Bogotá, als ik nieuwsgierig de kunst op zijn auto sta te inspecteren: 99% ACEITE VEGETAL RECICLADO. Jaime is een sterke verschijning: baardje met grijze haren van intensief leven, afgeranselde reizigerskleding, stevige wandelschoenen en een dikke zonnebril (het is avond). ‘Ik leg het je uit!, en hij opent enthousiast de motorkap om me in detail te vertellen hoe het werkt (iets waar ik me in dit verslag maar niet aan wijd). Als zijn zachte stem de ruimte krijgt en hij zijn bril afzet, onthult zich een vriendelijke Chileen met een stel felblauwe ogen.

Wie wil hem nou niet helpen?
Gebruikte olie vinden blijkt niet moeilijk. ‘Gewoon, restaurants binnenlopen en vragen of ze wat over hebben. De helft van de keren heb ik geluk. Daarnaast heb ik diverse sponsors, zoals twee Colombiaanse universiteiten die me 300 liter hebben geschonken.’ Hoe zou dat voelen, rijden op olijfolie?, vraag ik me af. Als Jaime de auto later stilzet bij een stoplicht, krijg ik spontaan zin in gebakken aardappels. Of is het een hamburger die ik ruik? Het is niet alleen de geur van eten, ook échte aardappels of een bord rijst met frigoles komen gratis tot Jaime, zo blijkt. De hele wereld nodigt hem uit aan de eettafel, iedereen wil hem leren kennen. Een fietser stopt en en tikt op het raampje. ‘U rijdt op olijfolie?!’ Jaime trekt een brede grijns, ‘zo gaat het de hele dag.’

Thuis
In de Land Rover is het goed toeven; er is een gezellig kookpitje, de achterbank vormt een knus bed, er wordt gerookt, geproost, gevreeën en er worden verhalen gedeeld. Oude en nieuwe vrienden hebben meegereisd in El Gordo en  hun sporen achtergelaten. Bij vertrek was de auto volledig kaal, inmiddels is hij volgeschilderd met kunst. (Als ik ook wil participeren ben ik van harte uitgenodigd. ‘Het moet wel mooi zijn, anders haal ik het gewoon weer weg.’) De buitendeuren zijn opgesierd door handen uit verschillende landen, de binnenkant van de deuren hangen vol met souvenirs uit alle hoeken van het continent – gezamenlijk vormen ze het bijzondere karakter van El Gordo Fritanguero.

Recycling
Het thema recycling is belangrijk voor Silva. ‘Onze wereld is het paradijs waar wij leven. Daar moeten we met respect en zorg mee omgaan. Wij zijn verantwoordelijk voor hoe wij de aardbol achterlaten voor onze kinderen.’ Zijn huis in een klein dorpje in Chili, dat momenteel leeg staat, bestaat voor 80% uit gerecyclede artikelen. ‘Eerst was ik de gekke hippie, nu volgen mensen mijn voorbeeld en ervaren zelf de voordelen van recycling.’

Liefde voor de natuur
Wat nou als je naar de wc moet? ‘La pacha mama, oftewel Moeder Natuur, is één grote wc.’ (brede grijns)  Jaime zet met gemak zijn auto onder een boom om de nacht door te brengen. Hij komt alleen in een stad voor noodzakelijke inkopen, om vervolgens weer zo snel mogelijk de rust op te zoeken. ‘In steden kan ik mijn auto niet langs de kant parkeren en mijn ogen sluiten. Ik moet een parkeergarage opzoeken of rekenen op mijn medemens. Al werkt dat meestal prima. Gister nog, ontmoette ik een landgenoot, en vroeg hem om een douche. Uiteindelijk ben ik een week gebleven. Mensen zijn ongelofelijk gastvrij en behulpzaam. Niet alleen eten en een bed, ook onderdelen voor El Gordo worden me regelmatig aangeboden.’

Verbinding met de wereld
‘El Gordo geeft me de mogelijkheid om me te verbinden met mensen, met de wereld. Het is zijn uiterlijk dat ervoor zorgt dat mensen een gesprek met mij aanknopen. Al hebben wij wel een goede chemie, El Gordo en ik’, lacht hij en krabt even aan zijn baard. ‘Samen trekken we allerlei soorten mensen aan, rijk en arm. Via mijn auto heb ik veel nieuwe vrienden gemaakt, veel geleerd, naar verhalen mogen luisteren en delen van mijn reis kunnen delen. Dat ben ik heel dankbaar voor.’

Reizen in het bloed
Hoe ontstaat nou het idee om zo’n bijzondere reis te maken? ‘Ik was altijd al de reiziger van de familie. De laatste vier jaar kom ik alleen af en toe thuis om geld te verdienen voor de volgende trip. Ik ben inmiddels in 28 landen geweest, in alle continenten behalve Afrika. Liftend, bij mensen thuis slapend, alles low budget. Ik heb ondervonden dat ik niet veel nodig heb. Op een dag ontmoette ik een Gringo*, die mij enthousiast vertelde over het rijden op olijfolie. Ik ontdekte dat het eigenlijk heel eenvoudig was. Iedereen verklaarde me voor gek. Gek of niet, hier ben ik nu, in Bogotá, na ruim 8 maanden toeren op aceite. Ik ga de wereld veroveren met mijn Land Rover.’

Vrijheid
‘Ze zeggen dat je in je leven een boek moet schrijven, een boom moet planten en een kind moet krijgen. Ik heb deze prachtboom geplant. Hij groeit elke dag. Deze manier van leven maakt me jong, ik barst van de energie. Veel mensen zeggen dat ze me benijden. Ze vinden het knap dat ik alles heb achtergelaten. Hoe zit het met mijn zekerheden?, vragen ze zich af. Het enige wat we zeker weten is dat we dood gaan. Als ik nu dood zou gaan sterf ik gelukkig. En wat is ‘alles’? Ik heb alles wat ik nodig heb. Ik ben tevreden. Voordat ik reisde was ik altijd gestrest. Ik verdiende goed, maar ging er lichamelijk bijna aan onderdoor. Nu ben ik vrij. Ik ben gelukkiger dan ooit.’ Angsten? Die heeft Jaime niet. ‘Waar zou ik bang voor moeten zijn? Ik hoef me geen zorgen te maken over materialistische zaken en ben free as a bird. Vrijheid kent geen prijs.’

* Latino’s noemen inwoners van de Verenigde Staten Gringo’s

Ik schreef dit verhaal ook in het Spaans (América del Sur en cuatro ruedas’).
Bekijk ook de videoreportage, die ik maakte samen met Estudio Perfer

De angst van Fidel Castro

199433_185476498164039_3549539_n

Wat hij hier doet met mij, zo kletsend in een zijstraatje van Plaza Vieja.
De breedgeschouderde man, die zich nogal thuis voelt in zijn blauwe Cubaanse politieoutfit, kijkt mijn leraar Armado ongeduldig aan. Voor de vorm tikt hij met zijn voet op de versleten straattegels.
‘Mag een oude negro niet met een jonge vrouw over straat lopen?’
De agent neemt Armado kritisch op, van beige teenslippers tot krijtwit kroeshaar en levenslustige ogen, die twijfelachtig glimlachen. Vervolgens kijkt hij naar mij. 
‘Gaat u daar even staan, señorita?’

Als een braaf hondje druip ik af en ga ik onder een geveltje van een restaurant staan. Ik kijk toe hoe de dienaar van de gebroeders Castro tegenover Armado gaat staan en hem onderwerpt aan een serie vragen. Cuba doet er alles aan om het opkomende toerisme te laten groeien, maar is doodsbenauwd voor informatie-uitwisseling tussen locals en reizigers. De Castro’s zijn het spoor volledig bijster. Ik zie ze voor me tijdens hun dagelijkse bespreking, Ráoul aan het bed van Fidel, beide een bord rijst op schoot, elkaar – en vooral zichzelf – voor de gek houdend met nieuwe plannen. Zelfs hangend aan de schandpaal zouden ze nog niet toegeven dat ze er een zooitje van hebben gemaakt. Wat betreft discriminatie doen ze het geen haar beter dan dictator Batista.

Het is pure pesterij dit, maar ik weet inmiddels dat je in Cuba maar beter mee kunt werken.
Plotseling wordt het Armado te veel en hij verheft zijn stem. ‘Laat me met rust, ik laat haar gewoon de stad zien!’ Hij kijkt even mijn kant op. Uiterst rustig blokkeert de agent zijn blikveld. ‘U kunt beter gewoon mijn vragen beantwoorden.’
Ik zie Armado steeds kleiner worden. Hij heeft dit al vaak meegemaakt.
Een golf van mededogen komt over me heen. Deze oude man is me lief geworden in een korte tijd. Bijna dagelijks nam hij mij afgelopen maand mee naar de fascinerende oude stadsdelen van Havana. Zijn verhalen raakten niet op, evenals mijn vragen.

De agent gebaart dat ik er weer bij mag komen staan.
‘Waar kent u deze man van?’
Gaan we nu een spelletje spelen? Maar ik weet, al is dit eiland soms net de ‘Truman Show’, dit is serieus, ik moet niet bijdehand doen.
‘Hij is mijn leraar.’
Geen blik of bloos. ‘Waar krijgt u les?’
Opnieuw wordt Armado boos. ‘Wat nou als ze een Cubana was geweest, had je me dan ook aangehouden?’
Even laat de agent zich afleiden, maar wendt zich dan weer tot mij. Ik besluit om maar gewoon antwoord te geven en leg uit dat ik logeer op een schooltje in de wijk Víbora.
De agent schrijft alles op zijn Grote Geheime Blocnote en stopt het in zijn tas.
Zo, weer een minnetje achter Armado’s naam. Handig voor als ze hem een keer ergens op willen pakken. Hoeveel minnetjes is hij verwijderd van een nachtje bij de Revolutiebroeders?
‘U kunt gaan.’

Zal die man hier nou plezier in hebben? Wat zegt hij ’s avonds tegen zijn vrouw terwijl ze de bloemetjesgordijntjes dicht doen? ‘Prima dagje mi amor, weer lekker een zwarte in z’n hempie gezet met zo’n Europese toerist.’
Ik kijk Armado aan en zie een beschadigde, oude man. Zijn gedrevenheid om over de historie van Cuba te vertellen is verdwenen. Voor de zoveelste keer wordt hij geconfronteerd met, zoals het zelf zegt, zijn ‘zwart zijn’. Hij gaat op een stoeprandje zitten, met als decor de prachtige, kleurrijke achtergrond van de door UNESCO gerenoveerde gebouwen.
Met een brok in mijn keel gebaar ik dat ik zo terug ben. In de hoop hem wat op te vrolijken, breng ik twee frisse tu Kola (Cuba’s enige echte eigen cola, als gevolg van het handelsverdrag met de VS) en twee broodjes perro caliente (warme hond, oftewel hot dog) mee van een (k)raampje in een steegje. Hij glimlacht, maar zijn ogen staan triest en hij geeft me een klopje op mijn schouder: ‘Het is gewoon zo oneerlijk.’

Lieve Armado, misschien kun je beter, net als velen van je landgenoten, je kop in het warme Caribische zand te steken, een flinke Cohiba roken en een Cuba Libre inschenken. Een glas tu Kola met een goede scheut rum, als symbool voor de toekomstdroom van een Cuba Libre, een vrij Cuba.
Het ga je goed!

Colombiaanse billen

Mooie, ronde, stevige billen om mee te pronken, dat willen wij vrouwen toch allemaal? IJverig trainen we onze bilspieren tot we erbij neer vallen en zodra het kan pakken we de fiets, we zijn tenslotte sterke Hollandse vrouwen. Maar toen ik in Colombia woonde, leerde ik een geheel andere visie op schoonheid kennen; waarom al die moeite doen als je dat setje rondingen gewoon voor je verjaardag kan vragen?

In Nederland leren we dat het goed is om ergens je best voor te doen. Het ís toch ook bevredigend dat je als je doel hebt bereikt, een beetje hebt moeten knokken? Als we verleidingen hebben weten te weerstaan voelen we ons apetrots. Daar doen we het allemaal voor, dat mentaal en fysiek zweten bij BBB, om sterker en gezonder te worden. En voor die mooie stevige billen natuurlijk. Maar wat als we helemaal geen moeite zouden hoeven doen? Als het enige wat we nodig zouden hebben een stevige bankrekening is? Een nachtje onder narcose en als ontbijt: je nieuwe J. Lo billen in de spiegel.

Billen gaan voor
Ik zit op een stoepje in Cali, dé salsastad van Colombia. Voor mijn neus stapt een duo enorme, ronde billen uit een taxi. Direct daarna verschijnt de bijbehorende prachtige vrouw, die haar lange zwarte haar flirterig de lucht in zwaait. In dit land hebben ze dan wel geen BBB maar wel SALSA. Siliconen of salsa, ik zou het wel weten, maar in Colombia is plastische chirurgie heel gewoon.

Billen, Borsten & andere Bollingen
Europese vrouwen leren dat een man je moet waarderen om wie we je bent. Om je brains én je mooie billen. Maar in Colombia (vooral in Cali) staat schoonheid van vrouwen in een ander perspectief. Daar besteedt een vrouw haar laatste peso bijna liever in de beautysalon dan op de fruitmarkt. Families die iets meer geld hebben – niet eens zó veel meer – gaan naar de plastisch chirurg alsof het de tandarts is. Victor, een Colombiaan met wie ik eens mijn verbazing hierover deelde, vertelde dat meisjes voor hun 15e verjaardag (een belangrijk moment in de Latijns-Amerikaanse cultuur) tegenwoordig een borst- of bilvergroting willen in plaats van een reisje naar de Caribische kust. Tot mijn verwondering voegde hij er aan toe dat hij het moedig vindt als een vrouw zo’n operatie doet: ‘Doet hartstikke pijn hoor!’ Tja, wie mooi wil zijn moet pijn lijden.

Angstzweet of sportzweet?
Omdat chirurgie zo toegankelijk is in Colombia, ben ik bang dat vrouwen verliezen wat er écht toe doet. Ze leren daarnaast minder wat het is om moeite te doen voor een mooi en gezond lichaam. Ook mij werden glimmende, roze flyertjes voorgehouden. Al zou ik pesos toe krijgen, mij niet gezien. Het zweet breekt me al uit bij het idee. Ik zweet liever bij BBB, lekker veilig, gezond en met een trots gevoel over mijn échte ronde billen als resultaat.

Ik schreef dit verhaal voor de healthclub BBB Health Boutique.

De niños van de toekomst

IMG_4399

Alles maakt herrie; de banden, de uitlaat, de stoelen, de toeter, zelfs de chauffeur – terwijl keiharde Reggaeton er bovenuit stampt door de krakende boksen. Kooien vol kakelende kippen, manden met versgebakken tortilla’s, een kind op moeders buik én rug – alles gaat mee. Waar ik ben? In een Chickenbus. Deze typisch Guatemalteekse bus brengt me dagelijks naar het stadje Ciudad Vieja, waar ik op de school ‘Nuestro Futuro’ (Onze Toekomst) kinderen begeleid bij hun huiswerk.

Zijn het die lekkere kauwgompjes in mijn tas of hebben ze écht zin om naar school te gaan? Zodra de kinderen me op straat in hun vizier hebben stormen ze enthousiast op me af. Stof van de zanderige wegen laait op en waait in hun zongetinte gezichtjes. Ze maken ruzie om wie mijn hand mag vasthouden tot aan het schoolplein waar ik – met inmiddels aan beide zijden een sliert kids – luid ontvangen word door de rest van de klas.
‘Carolinaaaaaaa!’
Een roep die nog vaak nagalmt in mijn gedachten.

Aan de kinderen ligt het niet, het is het besef van de ouders waar het aan ontbreekt. Waarom zou je je kinderen naar school sturen als ze ook geld kunnen verdienen? Vaak is papa met de noorderzon vertrokken, waardoor mama zich een ongeluk werkt en de kinderen moeten helpen in het huishouden. Na schooltijd is er dus niet veel tijd voor huiswerk en áls die er al is, is er weinig aandacht. Dus ik laat ze tekenen wat er leeft in hun binnenwereld, leer ze hun eerste woordjes schrijven en fiets er meteen wat sociale vaardigheden in. En ja, het zijn Latino’s, dus knuffelen doen we ook veel. Mijn geduld is nooit op en mijn knuffels al helemaal niet.

Al snel heb ik een aantal dikke vriendinnetjes, die me vol trots elke nieuwe regel met a’s in hun verfrommelde schriftjes komen laten zien. Het liedje zingen ze er enthousiast bij:
Avión avión, a, a, a.’
Maar sms moet ik wel 20 keer een avión (vliegtuig) nadoen en die rare letter op het bord aanwijzen.
Met haar vingertjes draaiend in haar vlechtjes peinst Erika op de letter die ik op haar blaadje heb geschreven. Plotseling laat ze met een enorme grijns een geluidje uit haar mond ontsnappen, maar het is niet de ‘a’. Hoe dring ik tot haar door? Gelukkig heb ik nog vele middagen de tijd om haar te ondersteunen, en na een aantal weken zie ik dan ook dat ze vooruit gaat.
Ook Lesby, een kleine krullenbol met knalbruine ogen, heeft veel aandacht nodig. Niet omdat ze de letters niet uit elkaar kan houden, maar omdat ze thuis van niemand complimenten krijgt.
En die kleine Juan Carlos, die dit jaar voor de tweede keer doet, laat met gemengde gevoelens zien dat hij al kan lezen. Want is het cool dat je dat kan, omdat je hier vorig jaar ook al zat?

Ik gebruik al mijn zintuigen; observeer, luister, kijk, voel en proef en doe wat ik denk dat de bedoeling is. Eigenlijk is alles goed, als ik er maar ben.

Op mijn laatste dag krijg ik een reusachtige poster, een gezamenlijk geproduceerd kunstwerk met alle namen erop. ‘Zodat ik ze nooit zal vergeten’. Ook zonder die poster zal ik dat niet doen…
Vet stoer doen natuurlijk, maar met dikke tranen stap ik de Chickenbus in naar huis.

¡Hasta pronto niños, les quiero mucho!

Meer info over de school ‘Nuestro Futuro’? Check Niños de Guatemala.

Hoezo Nederland(s)

Moeder de vrouw, met haar nonchalante-maar-toch-uiterst-verzorgde halflange haar, in zogenoemde casual friday werk-outfit, staat op het punt om te gaan koken in haar glimmende hypermoderne keuken voor manlief en 2,2 kinderen, als ze tot haar schrik ontdekt dat het al zó laat is.
‘Is het al zó laat?’

Er zit niets anders op: haastig kiept ze een zak voorgesneden broccoli, een handvol geschilde Hollandse krieltjes en een pak biologisch rundergehakt in de blender leeg, geeft een draai aan de knop, gooit het resultaat in vier grote glazen en brengt deze rennend naar de badkamer. Daar treft ze Vader, de haren van de kinderen wassend terwijl hij ze voorleest: ‘En ze leefden nog lang en gelukkig’. Enigszins hulpeloos kijkt hij Moeders aan, klapt het boek dicht en staat op. O god en de hond! Haastig wordt het mormeltje bij zijn blonde, krullende vacht gegrepen en uit het raam gehangen, waarna er een straal hondenpies ergens beneden op een toevallige passant belandt (dat laatste was niet echt zo, maar dat leek mij dan grappig). Vervolgens sjezen Vader en Moeder in sneltreinvaart naar de woonkamer, om nog net de eindtune van DWDD te horen.
‘Tussen zes en acht is het al druk genoeg’, bevestigt mevrouw Ziggo en ze maakt meteen even van de gelegenheid gebruik om interactieve televisie onder de aandacht te brengen.

Een uitermate confronterende, kloppende weergave van onze haastige, prestatiegerichte, binnenzit-cultuur. Een uitermate confronterende, onprettige weergave voor iemand die net terug is van een half jaar onthaasten, niet-hoeven-presteren en buiten leven in Latijns-Amerika en uit verveling de tv eens aanzet. Na maanden mañana mañana voelt deze reclame als een knellende lasso om mijn keel van een Indiaan uit de Ecuadoriaans jungle in de wetenschap dat hij me vanavond zal braden en oppeuzelen met de hele inheemse stam. Of te wel: het zweet breekt me uit. Geschokt druk ik op het powerknopje van de afstandsbediening en loop naar mijn spiegel in de gang. Twee wijdopengesperde ogen kijken me aan. Waarom ben ik eigenlijk teruggekomen? Vanaf nu ga ik het anders doen, besluit ik heftig knikkend en om mijn gelofte kracht bij te zetten, gis ik mijn rode lippenstift uit mijn nog onuitgepakte toilettas en schrijf in koeienletters op ooghoogte: mañana mañana <hartje>.

Nu, ruim een jaar later, maak ik de balans op:
– Minstens vier avonden per week maak ik me schuldig aan haastige kooktaferelen à la my-worst-nightmare-Ziggo-commercial, gevolgd door het verslinden van hele zakken M&M’s, waardoor ik 5 kilo zwaarder ben dan toen ik terugkwam.
– Iedere vrijdagavond zit ik compleet gefrustreerd op mijn meditatiekussen in mijn smalle gangetje te staren naar Boeddha als tegenhanger van mijn over elkaar heen tuimelde, stressy gedachten, terwijl ik liever ga salsadansen in een zweterige club vol donkere Latino’s wiens lange haren wild in mijn gezicht slaan.
– Opnieuw heb ik zo’n benauwende, saaie kantoorbaan aangenomen, terwijl ik die al zo vaak had afgezworen, en breng daarmee meer dan de helft van mijn tijd binnen door in plaats van buiten.

De Liefdevolle Boodschap op mijn spiegel is steeds verder weggevaagd. Het is dweilen met de kraan open: zijn waar je je niet meer zo thuis voelt en leven zoals je al lang niet meer wilt, terwijl je aan de andere kant de boel probeert op te lappen en recht probeert te trekken. Het is tijd om Mijn Liefdevolle Boodschap achterna te reizen. Plus de beeldschone Indianen, plakkerige rijst met bonen, dramatische kerkjes, gepassioneerde salsa, zwarte stranden, perzikzachte avocado’s, kikkergroene jungles, spirituele rituelen, knuffelbare kindertjes, statige berglandschappen, kleurrijke koloniale gebouwen en gastvrije moekes. En mijn oren weer elke dag te verwennen met de zangerige, oog-voor-detail-hebbende, romantische taal. Geen Nederlands, maar Spaans: de taal van Liefdevolle Boodschappen.

P.S.
Soms vragen mensen mij wel eens ‘of het geen vlucht is’.
‘Jawel’, zeg ik dan, ‘dat is het zeker. Een vlucht uit Nederland!’

Te quiero

Negen maanden zat hij vast in Cuba. Wat hij gedaan had? Niets in strijd met de wet, maar het stond de overheidsmacho’s niet aan. Na zijn vrijlating voelde hij zich nog steeds gevangen. ‘Van het eerstvolgende internationale optreden keer ik niet meer terug’, beloofde hij zichzelf.

Zo stapt Ignacio Perez Borrel 13 jaar geleden uit de Buena Vista Social Club. Zijn bestemming bleek Antigua, een klein koloniaal stadje in Guatemala. Vlak daarna verlaten ook de drie helden Segundo, Ferrer en Gonzalez deze waanzinnige band, al gingen zij op een heel ander soort reis. Ze leven voort in vele harten.

Ignacio kun je nog wél live zien – en aanraken. Ik wil dan ook niets liever als ik hem op straat zie lopen. Tijdens mijn dagelijkse route langs de typisch Antiguaans huisjes, paard en wagens, fruitstalletjes en groepjes Indigenas, word ik plotseling van de stoep geblazen door zijn charisma: de warme uitstraling van zijn donkere huid, zijn ogen, twinkelend en ondeugend. En die lach, vriendelijk en scabreus. Hij draagt een stijlvol crèmewit pak, gladgestreken maar toch nonchalant. Afgemaakt met een petje, een beetje scheef op zijn hoofd.

Al gauw kom ik erachter dat hij bij mij om de hoek woont, dus per-ongeluk-expres bij hem in de buurt rondhangen zou niet eens verdacht zijn. Maar ik ben hier slechts drie maanden en heb het al druk genoeg met vrijwilligerswerk. Ik check de Que pasa, het magazine met events in de regio, en zoek op wanneer hij optreedt met zijn nieuw opgerichte Buena Vista de Corazón.
Twee dagen later zit ik met mijn vriendin aan een tafeltje bij Bar Ocelot, waar hij met zijn aanstekelijke Cubaanse energie op jambees zit te drummen en met zijn 67 jaar oude, rauwe stem onverstaanbare woorden in de microfoon blaast.
‘T’extraño, t’extraño amor’ (ik mis je, lief ) – af en toe komt er iets uit dat we verstaan.
Als het publiek luid applaudisseert weet ik dat dit het moment is. Mijn vriendin geeft me een laatste zetje en met kloppend hand loop ik naar hem toe.
Met zijn vriendelijke ogen kijkt hij me vragend aan:
‘Sí señorita?’
Nou eh, dat ik ‘m dus iets wil vragen. Of ik hem een keer mag interviewen voor een meeslepende roman die ik over Cuba wil schrijven.
‘Maar natuurlijk!’
Bijna rennend van opwinding loop ik terug naar m’n vriendin en laat haar vol trots het briefje zien waarop hij zijn telefoonnummer heeft gekrabbeld.
Nog twee Mojito’s alsjeblieft.

Met de zon op en in mijn koppie dartel ik een week later over de scheve straattegels richting centrum. Kom ik aanlopen bij dat koffietentje, staat daar zo’n prachtige oude Cubaan op me te wachten.
De eerste tien minuten geloof ik niet dat ik hier, in mijn favoriete cafeetje El Refugio, koffie zit te drinken met Ignacio Perez Borrel himself. Maar al snel raak ik verzonken in zijn prachtige verhalen. Hij vertelt over zijn leven. Dat hij naar een optreden ging in Spanje. Hoe hij bij terugkomst gevangen werd genomen. Over zijn angsten. Zijn huwelijk. Zijn dochters. Even wordt hij emotioneel en ik voel me meteen schuldig dat ik zo ongegeneerd aan zijn lippen hang.

Maar het is OK. Zelfs zó OK dat hij aanbiedt om Congris voor me te koken, om verder in te gaan op mijn oneindige lijst met vragen.
Zo volgen er nog vele koffiemomenten, wandelingen en optredens met flessen van zijn favoriete rode wijn (‘Goed voor mijn hart’).
En dan, plotseling, zomaar, op een mooie dag als we in het park zitten, kijkt hij me aan, knijpt me in mijn arm en zegt:
‘Te quiero, Carolina’.
Ik schrik een beetje. Te quiero? Nu weet ik dat Latino’s vrij gemakkelijk hun liefde uiten, maar mijn Hollandse nuchterheid klopt even op de deur. Hoe ziet hij onze relatie eigenlijk? Net als ik, als een bijzondere vriendschap of is er meer? Ik weet niet wat ik moet zeggen.

Maanden later zit ik in Nederland achter m’n laptop. Door de boxen van mijn cd-speler klinkt Ignacio: ‘T’extraño, t’extraño amor.’ Zijn schorre stem raakt me plotseling recht in mijn hart. Ik mis hem ook! Spontaan open ik mijn mail, ik heb hem simpelweg één ding te zeggen:
‘Ignacio, Te quiero.’