Fidel is watching you

199433_185476498164039_3549539_n

Samen met mijn leraar Armado loop ik door het centrum van Havana. In plaats van grammatica-les aan een wiebelig tafeltje met een roestige ventilator, krijg ik les op straat, middenin het Cubaanse leven. Terwijl hij me met een trieste blik een verhaal vertelt bij een vervallen gebouw, worden we plotseling aangehouden door een politieman. Wat hij hier doet met mij, gezellig kletsend in dit zijstraatje van Plaza Vieja.

De breedgeschouderde man in zijn donkerblauwe outfit kijkt Armado ongeduldig aan. Voor de vorm tikt hij met zijn voet op de versleten straattegels.
‘Mag een oude negro niet met een jonge vrouw over straat lopen?’, is Armado’s reactie.
De agent neemt hem kritisch op, van beige teenslippers tot krijtwit kroeshaar en levenslustige ogen, die twijfelachtig glimlachen. Vervolgens kijkt hij naar mij.
‘Gaat u daar even staan, señorita?’
Als een braaf hondje druip ik af en wacht onder een geveltje van een restaurant. Ik kijk toe hoe de dienaar van de gebroeders Castro Armado onderwerpt aan een vragenvuur. Cuba doet er alles aan om het toerisme te laten groeien, maar is tegelijkertijd doodsbenauwd voor informatie-uitwisseling tussen locals en reizigers.

Ineens wordt het Armado te veel en hij verheft zijn stem. ‘Laat me met rust, ik laat haar gewoon de stad zien!’ Hij kijkt even mijn kant op. De politieagent gaat voor hem staan. ‘U kunt beter gewoon mijn vragen beantwoorden.’
Ik zie Armado steeds kleiner worden. Hij heeft dit al vaak meegemaakt, zo heeft hij mij verteld. Een golf van mededogen komt over me heen. Deze oude man is me lief geworden in een korte tijd. Bijna dagelijks nam hij mij de afgelopen weken mee naar de fascinerende oude stadsdelen van Havana. Zijn verhalen raakten niet op, evenals mijn vragen.

De agent gebaart dat ik er weer bij mag komen staan. Ik weet inmiddels dat je in Cuba beter mee kunt werken.
‘Waar kent u deze man van?’
‘Hij geeft me taalles.’
Geen blik of bloos. ‘Waar krijgt u les?’
Opnieuw wordt Armado boos. ‘Als ze een Cubana was geweest, had je me dan ook aangehouden?’
Even laat de agent zich afleiden, maar wendt zich dan weer tot mij.
‘Ik logeer op een schooltje in Víbora’, antwoord ik.
De agent schrijft alles op zijn Grote Geheime Blocnote en stopt het in zijn tas.
‘U kunt gaan.’
Volgens Armado is er een minnetje achter zijn naam gezet, zoals al eerder is gebeurd, voor als ze hem een keer ergens op willen pakken. Hoeveel minnetjes is hij verwijderd van een nachtje bij de Castro’s?

Armado en ik gaan op een stoeprandje zitten, met als decor de prachtige, kleurrijke achtergrond van de door UNESCO gerenoveerde gebouwen. Hij legt me uit dat hij erg lijdt onder de discriminatie in dit land. Voor de zoveelste keer wordt hij geconfronteerd met zijn huidskleur en in zijn beleving genoot de politieagent ervan. Zou dat echt zo zijn? Zou deze agent ’s avonds tegen zijn vrouw zeggen, terwijl ze het eten op tafel zet: ‘Prima dagje mi amor, weer lekker een zwarte in z’n hempie gezet met een Europese toerist.’ Ik hoop vurig dat van niet. Ik kijk Armado aan en zie een beschadigde, oude man. Zijn gedrevenheid voor geschiedenisles is voor vandaag verdwenen. Met een brok in mijn keel gebaar ik dat ik zo terug ben. In de hoop hem wat op te vrolijken, haal ik twee tu Kola’s (Cuba’s enige echte eigen cola, als gevolg van het handelsverdrag met de VS) en twee broodjes perro caliente (hot dog) bij een raampje dat als snackbar fungeert. Hij glimlacht, maar zijn ogen staan triest en hij geeft me een klopje op mijn schouder: ‘Het is zo oneerlijk.’ Ik probeer de brok in mijn keel te laten smelten met mijn ijskoude tu Kola.

Ik val de afgelopen weken van de ene verbazing in de andere en begrijp ik steeds minder van dit land. Als je het mij vraagt, zijn de Castro’s het spoor bijster. Ik zie ze voor me tijdens hun dagelijkse bespreking, Ráoul aan het bed van Fidel, beide een bord arroz congri op schoot, pratend over nieuwe plannen. Zouden ze in staat zijn toe te geven dat ze er een zooitje van hebben gemaakt? Ik geloof in hun goede intenties, maar ze zijn onderweg het spoor bijster geraakt. Dit land intrigeert me mateloos. Vorig jaar (in 2009), tijdens mijn eerste bezoek aan Cuba, zag ik de highlights en kwam ik thuis met een niet te temmen nieuwsgierigheid. Ik wil dit eiland begrijpen, doorgronden, het naadje van de kous weten. Diverse documentaires, allerlei boeken en een aantal maanden later, krijg ik de kans om via Armado te ontdekken wat er achter die kleurrijkheid zit. Doordat hij me op sleeptouw neemt buiten de gebaande paden, begin ik steeds meer te zien hoe het Cubaanse volk voor de gek worden gehouden. Het doet me denken aan de The Truman Show. Er is zoveel tegenstrijdigs dat niet recht te praten is. En tegelijkertijd kan je niet níet van dit land houden. De salsabands en oude Chevrolets geven het eiland een unieke en vrolijke look, maar de enorme armoede en het gevangenschap die daarachter zitten is niet mis. Het is niet alleen letterlijk, maar ook figuurlijk een eiland…

Lieve Armado, misschien kun je beter, net als velen van je landgenoten, je mooie, karakteristieke koppie in het warme Caribische zand te steken en net doen alsof alles goed is. Steek een Cohiba op en schenk een Cuba Libre in: een groot glas tu Kola met een goede scheut rum, als symbool voor de toekomstdroom van een Cuba Libre, een vrij Cuba.

Het ga je zo, zo goed. Dank je wel.

Advertenties

De wondere wereld die Cuba heet

Tussen de massa taxichauffeurs die op me af stiert bij de uitgang van het vliegveld komt een exotische, donkere jongen op me af. Hij kijkt een stuk vriendelijker dan de medewerkster achter het oostblok-achtige loketje bij de paspoortcontrole, waar ik vanuit alle kanten in de gaten werd gehouden door bewapende militairen.
‘Welkom in Cuba! Ik ben Antonio.’
‘Dank je wel!’ En ik ben Gelukkig.

Ongegeneerd doet hij een stapje achteruit en bekijkt me van pony tot rood gelakte teennagels.
‘Juan kon je niet ophalen’, zegt hij terwijl hij de deur van een gifgroene Lada voor me openhoudt.
Welkom in Latijns-Amerika: als Juan niet komt, komt Antonio wel – en anders José, Pedro of Ricardo.

Het mysterie dat Fidel Castro heet
Fidel’s helden Che Guevara en José Martí kijken me uitdrukkingsloos aan vanaf de grijze gebouwen als we het Plein van de Revolutie passeren. Beelden van Castro zelf zie ik nog niet, al verdenk ik hem ervan me te begluren vanuit de vele oldtimers die voorbij pruttelen. Fidel is always watching you. Bewonderend kijk ik naar de kunstige muurschilderingen met Hasta la victoria siempre en Hasta siempre (Altijd op weg naar de overwinning en Voor altijd), die me wijzen op de revolutie. Op het puntje van het Capitool wappert de Cubaanse vlag, trots en onverwoestbaar, al zit hij vol scheuren. Ik tik Antonio op zijn schouder en vraag hem de krakende salsa een tandje harder te zetten. Wat een stad! Opgewonden steek ik mijn hoofd uit het raampje en ga op in alle beweging: volgepropte retro bussen, oude auto’s in allerlei kleuren, rijen gammele fietsen, kaartspelende mannen met een glas rum in de ene en een sigaar in de andere hand, omringd door dartelende donkere vrouwen in mini-jurkjes. Terwijl vrouwen en auto’s hun kleurigheid graag showen, zijn vervallen gebouwen hun kleur op vele plekken kwijtgeraakt. Zonder verlies van charme. Havana is een beeldschone stad vol tegenstrijdigheden: Amerikaanse slee’s, Russische Trabantjes, Chinese fietsen en Nederlandse bussen. Maar vooral: Cubaanse passie.

Cuba Culinair
Antonio parkeert de Lada in een smal straatje tussen twee roestige Chryslers. Op de hoek speelt een groepje oude mannen in witte pakken de Cubaanse son. Vlinders kriebelen in mijn buik.
‘Kom, we gaan arroz congri eten!’, zegt Antonio opgewekt.
De vlinders veranderen spontaan van richting.
Congri is hét Cubaanse gerecht: bruine rijst en bonen met een lap varkensvlees of kip eroverheen gedrapeerd. Iets wat ik al twee maanden in afgeleide varianten eet tijdens mijn reis door Latijns-Amerika. Waarom vinden Cubanen dat toch zo’n traktatie? Of is het omdat ze weinig keus hebben? Naast de producten uit de communistische bonnenboekjes is er weinig beschikbaar voor de bewoners van dit land, dat niet alleen letterlijk maar ook figuurlijk een eiland is.

Het communisme – een illusie?
Bij een (k)raampje langs de weg met een verfrommelde menulijst erop geplakt doet Antonio onze uiterst gezonde bestelling.
‘Ik kom maar niet aan mijn dagelijkse twee ons groente’, flap ik eruit.
‘Je dagelijkse twee ons groente?’ Een vraagteken popt op boven zijn hoofd.
Als ik hem ‘De Schijf Van Vijf’ uitleg moet ik zelf net zo hard lachen als hij.
Rare Hollanders. Een regering die zich bemoeit met wat de bevolking eet.
Het Cubaanse regime houdt het volk op – laten we zeggen – heel andere vlakken in de gaten.

Snufje Nederland
Als later de auto niet wil starten, besluiten we het piepende Lada’tje te verruilen voor een piepende bus. Ik zie net nummer 49 richting Appingedam aankomen. Of zullen we de 22 naar Amsterdam nemen?
‘Er zijn ook moderne toeristenbussen met airco als je wilt’, zegt Antonio ongemakkelijk.
Fidel is in zijn poging een socialistische samenleving te creëren volledig de weg kwijt geraakt. Ik weet ook de weg niet, maar ik weet wel wat ik wil: the real Cuban experience.
‘Vamos!’

Liefde op het eerste gezicht
Appingedam blijkt synoniem voor Vibora, de wijk waar ik logeer. Als ik uitstap staat de moeder des huizes in gerafelde bloemetjesschort al op ons te wachten.
‘Hallo Carolina, welkom. Je zult wel honger hebben, ik heb Congri gemaakt!’
Mijn maag trekt samen. Dit keer niet van weerstand tegen rijst met bonen, maar van instant liefde voor deze stralende vrouw in deze geweldige stad. Het energieke, fascinerende Havana waar ik na een halve dag al meer van hou dan in mijn dromen.
Cuba: Hasta siempre

Dit verhaal is ook in het Engels vertaald voor het KLM Blog.

Ik heb dit ook in het Spaans geschreven, zie deze pagina

Een beetje Cuba in Guatemala

Negen maanden zat hij vast in Cuba. Wat hij gedaan had? Niets in strijd met de wet, schijnt, maar het stond de overheid niet aan. Na zijn vrijlating voelde hij zich nog steeds gevangen. ‘Van het eerstvolgende internationale optreden keer ik niet meer terug’, beloofde hij zichzelf.

Zo stapt Ignacio Perez Borrel 13 jaar geleden uit de Buena Vista Social Club. Zijn bestemming bleek Antigua, een klein koloniaal stadje in Guatemala. Vlak daarna verlaten ook de drie helden Segundo, Ferrer en Gonzalez deze waanzinnige band, al gingen zij op een heel ander soort reis. Ze leven voort in vele harten.

Ignacio kun je nog wél live zien – en met hem praten. Ik wil dan ook niets liever als ik hem op straat zie lopen. Tijdens mijn dagelijkse route langs de typisch Antiguaanse huisjes, paard en wagens, fruitstalletjes en groepjes Indigenas, word ik plotseling van de stoep geblazen door zijn charisma: de warme, vriendelijke uitstraling van zijn donkere, twinkelende ogen en zijn stralende lach. Hij draagt een stijlvol crème-wit pak, gladgestreken maar toch nonchalant, afgemaakt met een wit zwarte hoed.

Al gauw kom ik erachter dat hij bij mij om de hoek woont, dus een beetje bij hem in de buurt rondhangen zou niet eens verdacht zijn. Ik ben dol op de muziek van de Buena Vista Social Club, wie had ooit kunnen denken dat ik één van de bandleden zou kunnen ontmoeten? Maar ik ben hier slechts drie maanden en heb het al druk genoeg met vrijwilligerswerk. Ik check de Que pasa, het magazine met events in de regio, en zoek op wanneer hij optreedt met zijn nieuw opgerichte Buena Vista de Corazón.
Twee dagen later zit ik met mijn vriendin aan een tafeltje bij Bar Ocelot, waar hij met zijn aanstekelijke Cubaanse energie op jambees zit te drummen en met zijn 67 jaar oude, rauwe stem onverstaanbare woorden in de microfoon blaast.
‘T’extraño, t’extraño amor’ (ik mis je, lief ) – af en toe komt er iets uit dat we verstaan.
Als het publiek luid applaudisseert weet ik dat dit het moment is. Mijn vriendin geeft me een laatste zetje en met kloppend hand loop ik naar hem toe.
Met zijn vriendelijke ogen kijkt hij me vragend aan:
‘Sí señorita?’
Nou eh, of ik hem een keer mag interviewen voor een boek dat ik ooit over Cuba wil schrijven.
‘Maar natuurlijk!’
Huppelend van opwinding loop ik terug naar m’n vriendin en laat haar vol trots het briefje zien waarop hij zijn telefoonnummer heeft gekrabbeld.

Met de zon op en in mijn koppie loop ik een week later over de scheve straattegels richting centrum. Kom ik aan bij het koffietentje, staat daar zo’n prachtige oude Cubaan op me te wachten…! Ik vind het best wel spannend.
De eerste tien minuten geloof ik niet dat ik hier, in El Refugio, koffie zit te drinken met Ignacio Perez Borrel himself. Maar al snel raak ik verzonken in zijn prachtige verhalen. Hij vertelt over zijn leven. Dat hij naar een optreden ging in Spanje. Hoe hij bij terugkomst gevangen werd genomen. Over zijn angsten. Zijn huwelijk. Zijn dochters. Even wordt hij emotioneel en ik voel me meteen schuldig dat ik zo ongegeneerd aan zijn lippen hang.

Maar het is OK. Zelfs zó OK dat hij aanbiedt om Congri voor me te koken, om verder in te gaan op mijn oneindige lijst met vragen. Zo volgen er, samen met andere nieuwe vrienden, nog vele koffiemomenten, wandelingen en optredens met flessen van zijn favoriete rode wijn (‘Goed voor mijn hart’). En dan, plotseling, zomaar, op een mooie dag als we in het park zitten, kijkt hij me aan, knijpt me in mijn arm en zegt:
‘Te quiero, Carolina’.
Ik schrik een beetje. Te quiero? Nu weet ik dat Latino’s vrij gemakkelijk hun liefde uiten, maar mijn Hollandse nuchterheid klopt even op de deur. Hoe ziet hij ons contact eigenlijk? Net als ik, als een bijzondere vriendschap of is er meer? Ik weet niet wat ik moet zeggen en lach maar vriendelijk. Hij is vrij om te uiten wat hij wil, ik laat het bij hem.

Maanden later zit ik in Nederland achter m’n laptop. Door de boxen van mijn cd-speler klinkt Ignacio: ‘T’extraño, t’extraño amor.’ Zijn schorre stem raakt me plotseling recht in mijn hart. Ik mis hem ook! Spontaan open ik mijn mail, ik heb hem simpelweg één ding te zeggen:
‘Ignacio, Te quiero.’