De angst van Fidel Castro

199433_185476498164039_3549539_n

Wat hij hier doet met mij, zo kletsend in een zijstraatje van Plaza Vieja.
De breedgeschouderde man, die zich nogal thuis voelt in zijn blauwe Cubaanse politieoutfit, kijkt mijn leraar Armado ongeduldig aan. Voor de vorm tikt hij met zijn voet op de versleten straattegels.
‘Mag een oude negro niet met een jonge vrouw over straat lopen?’
De agent neemt Armado kritisch op, van beige teenslippers tot krijtwit kroeshaar en levenslustige ogen, die twijfelachtig glimlachen. Vervolgens kijkt hij naar mij. 
‘Gaat u daar even staan, señorita?’

Als een braaf hondje druip ik af en ga ik onder een geveltje van een restaurant staan. Ik kijk toe hoe de dienaar van de gebroeders Castro tegenover Armado gaat staan en hem onderwerpt aan een serie vragen. Cuba doet er alles aan om het opkomende toerisme te laten groeien, maar is doodsbenauwd voor informatie-uitwisseling tussen locals en reizigers. De Castro’s zijn het spoor volledig bijster. Ik zie ze voor me tijdens hun dagelijkse bespreking, Ráoul aan het bed van Fidel, beide een bord rijst op schoot, elkaar – en vooral zichzelf – voor de gek houdend met nieuwe plannen. Zelfs hangend aan de schandpaal zouden ze nog niet toegeven dat ze er een zooitje van hebben gemaakt. Wat betreft discriminatie doen ze het geen haar beter dan dictator Batista.

Het is pure pesterij dit, maar ik weet inmiddels dat je in Cuba maar beter mee kunt werken.
Plotseling wordt het Armado te veel en hij verheft zijn stem. ‘Laat me met rust, ik laat haar gewoon de stad zien!’ Hij kijkt even mijn kant op. Uiterst rustig blokkeert de agent zijn blikveld. ‘U kunt beter gewoon mijn vragen beantwoorden.’
Ik zie Armado steeds kleiner worden. Hij heeft dit al vaak meegemaakt.
Een golf van mededogen komt over me heen. Deze oude man is me lief geworden in een korte tijd. Bijna dagelijks nam hij mij afgelopen maand mee naar de fascinerende oude stadsdelen van Havana. Zijn verhalen raakten niet op, evenals mijn vragen.

De agent gebaart dat ik er weer bij mag komen staan.
‘Waar kent u deze man van?’
Gaan we nu een spelletje spelen? Maar ik weet, al is dit eiland soms net de ‘Truman Show’, dit is serieus, ik moet niet bijdehand doen.
‘Hij is mijn leraar.’
Geen blik of bloos. ‘Waar krijgt u les?’
Opnieuw wordt Armado boos. ‘Wat nou als ze een Cubana was geweest, had je me dan ook aangehouden?’
Even laat de agent zich afleiden, maar wendt zich dan weer tot mij. Ik besluit om maar gewoon antwoord te geven en leg uit dat ik logeer op een schooltje in de wijk Víbora.
De agent schrijft alles op zijn Grote Geheime Blocnote en stopt het in zijn tas.
Zo, weer een minnetje achter Armado’s naam. Handig voor als ze hem een keer ergens op willen pakken. Hoeveel minnetjes is hij verwijderd van een nachtje bij de Revolutiebroeders?
‘U kunt gaan.’

Zal die man hier nou plezier in hebben? Wat zegt hij ’s avonds tegen zijn vrouw terwijl ze de bloemetjesgordijntjes dicht doen? ‘Prima dagje mi amor, weer lekker een zwarte in z’n hempie gezet met zo’n Europese toerist.’
Ik kijk Armado aan en zie een beschadigde, oude man. Zijn gedrevenheid om over de historie van Cuba te vertellen is verdwenen. Voor de zoveelste keer wordt hij geconfronteerd met, zoals het zelf zegt, zijn ‘zwart zijn’. Hij gaat op een stoeprandje zitten, met als decor de prachtige, kleurrijke achtergrond van de door UNESCO gerenoveerde gebouwen.
Met een brok in mijn keel gebaar ik dat ik zo terug ben. In de hoop hem wat op te vrolijken, breng ik twee frisse tu Kola (Cuba’s enige echte eigen cola, als gevolg van het handelsverdrag met de VS) en twee broodjes perro caliente (warme hond, oftewel hot dog) mee van een (k)raampje in een steegje. Hij glimlacht, maar zijn ogen staan triest en hij geeft me een klopje op mijn schouder: ‘Het is gewoon zo oneerlijk.’

Lieve Armado, misschien kun je beter, net als velen van je landgenoten, je kop in het warme Caribische zand te steken, een flinke Cohiba roken en een Cuba Libre inschenken. Een glas tu Kola met een goede scheut rum, als symbool voor de toekomstdroom van een Cuba Libre, een vrij Cuba.
Het ga je goed!

Advertenties

Communistische salsa

Tussen de massa taxichauffeurs die op me af stiert bij de uitgang van het vliegveld komt een exotische, donkere jongen op me af. Hij kijkt een stuk vriendelijker dan de medewerkster achter het oostblokachtige loketje bij de paspoortcontrole, waar ik vanuit alle kanten in de gaten werd gehouden door bewapende militairen.
‘Welkom in Cuba! Ik ben Antonio.’
‘Dank je wel!’ Ik ben Gelukkig.

Ongegeneerd doet hij een stapje achteruit en bekijkt me van pony tot rood gelakte teennagels.
‘Juan kon je niet ophalen’, zegt hij terwijl hij de deur van een gifgroene Lada voor me openhoudt.
Welkom in Latijns-Amerika: als Juan niet komt, komt Antonio wel – en anders José, Pedro of Ricardo.

Het mysterie dat Fidel Castro heet
Fidel’s helden Che Guevara en José Martí kijken me uitdrukkingsloos aan vanaf de grijze gebouwen als we het Plein van de Revolutie passeren. Beelden van Castro zelf zie ik nog niet, al verdenk ik hem ervan me te begluren vanuit de vele oldtimers die voorbij pruttelen. Fidel is always watching you. Bewonderend kijk ik naar de kunstige muurschilderingen met Hasta la victoria siempre en Hasta siempre (Altijd op weg naar de overwinning en Voor altijd), die me wijzen op de revolutie. Op het puntje van het Capitool wappert de Cubaanse vlag, trots en onverwoestbaar, al zit hij vol scheuren. Ik tik Antonio op zijn schouder en vraag hem de krakende salsa een tandje harder te zetten. Wat een stad! Opgewonden steek ik mijn hoofd uit het raampje en ga op in alle beweging: volgepropte retro bussen, oude auto’s in allerlei kleuren, rijen gammele fietsen, kaartspelende mannen met een glas rum in de ene en een sigaar in de andere hand, omringd door dartelende donkere vrouwen in mini-jurkjes. Terwijl vrouwen en auto’s hun kleurigheid graag showen, zijn vervallen gebouwen hun kleur op vele plekken kwijtgeraakt. Zonder verlies van charme. Havana is een beeldschone stad vol tegenstrijdigheden: Amerikaanse slee’s, Russische Trabantjes, Chinese fietsen en Nederlandse bussen. Maar vooral: Cubaanse passie.

Cuba Culinair
Antonio parkeert de Lada in een smal straatje tussen twee roestige Chryslers. Op de hoek speelt een groepje oude mannen in witte pakken de Cubaanse son. Vlinders kriebelen in mijn buik.
‘Kom, we gaan Congris eten!’, zegt Antonio opgewekt.
Weg vlinders.
Congris is hét Cubaanse gerecht: bruine rijst en bonen met een lap varkensvlees of kip eroverheen gedrapeerd. Iets wat ik al twee maanden in afgeleide varianten eet tijdens mijn reis door Latijns-Amerika. Waarom vinden Cubanen dat toch zo’n traktatie? Of is het omdat ze weinig keus hebben? Naast de producten uit de communistische bonnenboekjes is er weinig beschikbaar voor de bewoners van dit land, dat niet alleen letterlijk maar ook figuurlijk een eiland is.

Het communisme – een illusie?
Bij een (k)raampje langs de weg met een verfrommelde menulijst erop geplakt doet Antonio onze uiterst gezonde bestelling.
‘Ik kom maar niet aan mijn dagelijkse twee ons groente’, flap ik eruit.
‘Je dagelijkse twee ons groente?’ Een vraagteken popt op boven zijn hoofd.
Als ik hem ‘De Schijf Van Vijf’ uitleg moet ik zelf net zo hard lachen als hij.
Rare Hollanders. Een regering die zich bemoeit met wat de bevolking eet.
Het Cubaanse regime houdt het volk op – laten we zeggen – heel andere vlakken in de gaten.

Snufje Nederland
Als later de auto niet wil starten, besluiten we het piepende Lada’tje te verruilen voor een piepende bus. Ik zie net nummer 49 richting Appingedam aankomen. Of zullen we de 22 naar Amsterdam nemen?
‘Er zijn ook moderne toeristenbussen met airco als je wilt’, zegt Antonio ongemakkelijk.
Fidel is in zijn poging een socialistische samenleving te creëren volledig de weg kwijt geraakt. Ik weet ook de weg niet, maar ik weet wel wat ik wil: the real Cuban experience.
‘Vamos!’

Liefde op het eerste gezicht
Appingedam blijkt synoniem voor Vibora, de wijk waar ik logeer. Als ik uitstap staat de moeder des huizes in gerafelde bloemetjesschort al op ons te wachten.
‘Hallo Carolina, welkom. Je zult wel honger hebben, ik heb Congris gemaakt!’
Mijn maag trekt samen. Dit keer niet van weerstand tegen rijst met bonen, maar van instant liefde voor deze stralende vrouw in deze geweldige stad. Het energieke, fascinerende Havana waar ik na een halve dag al meer van hou dan in mijn dromen.
Cuba: Hasta siempre

Ik schreef dit voor het reismagazine Reisbijbel.nl

DIt verhaal is ook in het Engels vertaald voor het KLM Blog.

Te quiero

Negen maanden zat hij vast in Cuba. Wat hij gedaan had? Niets in strijd met de wet, maar het stond de overheidsmacho’s niet aan. Na zijn vrijlating voelde hij zich nog steeds gevangen. ‘Van het eerstvolgende internationale optreden keer ik niet meer terug’, beloofde hij zichzelf.

Zo stapt Ignacio Perez Borrel 13 jaar geleden uit de Buena Vista Social Club. Zijn bestemming bleek Antigua, een klein koloniaal stadje in Guatemala. Vlak daarna verlaten ook de drie helden Segundo, Ferrer en Gonzalez deze waanzinnige band, al gingen zij op een heel ander soort reis. Ze leven voort in vele harten.

Ignacio kun je nog wél live zien – en aanraken. Ik wil dan ook niets liever als ik hem op straat zie lopen. Tijdens mijn dagelijkse route langs de typisch Antiguaans huisjes, paard en wagens, fruitstalletjes en groepjes Indigenas, word ik plotseling van de stoep geblazen door zijn charisma: de warme uitstraling van zijn donkere huid, zijn ogen, twinkelend en ondeugend. En die lach, vriendelijk en scabreus. Hij draagt een stijlvol crèmewit pak, gladgestreken maar toch nonchalant. Afgemaakt met een petje, een beetje scheef op zijn hoofd.

Al gauw kom ik erachter dat hij bij mij om de hoek woont, dus per-ongeluk-expres bij hem in de buurt rondhangen zou niet eens verdacht zijn. Maar ik ben hier slechts drie maanden en heb het al druk genoeg met vrijwilligerswerk. Ik check de Que pasa, het magazine met events in de regio, en zoek op wanneer hij optreedt met zijn nieuw opgerichte Buena Vista de Corazón.
Twee dagen later zit ik met mijn vriendin aan een tafeltje bij Bar Ocelot, waar hij met zijn aanstekelijke Cubaanse energie op jambees zit te drummen en met zijn 67 jaar oude, rauwe stem onverstaanbare woorden in de microfoon blaast.
‘T’extraño, t’extraño amor’ (ik mis je, lief ) – af en toe komt er iets uit dat we verstaan.
Als het publiek luid applaudisseert weet ik dat dit het moment is. Mijn vriendin geeft me een laatste zetje en met kloppend hand loop ik naar hem toe.
Met zijn vriendelijke ogen kijkt hij me vragend aan:
‘Sí señorita?’
Nou eh, dat ik ‘m dus iets wil vragen. Of ik hem een keer mag interviewen voor een meeslepende roman die ik over Cuba wil schrijven.
‘Maar natuurlijk!’
Bijna rennend van opwinding loop ik terug naar m’n vriendin en laat haar vol trots het briefje zien waarop hij zijn telefoonnummer heeft gekrabbeld.
Nog twee Mojito’s alsjeblieft.

Met de zon op en in mijn koppie dartel ik een week later over de scheve straattegels richting centrum. Kom ik aanlopen bij dat koffietentje, staat daar zo’n prachtige oude Cubaan op me te wachten.
De eerste tien minuten geloof ik niet dat ik hier, in mijn favoriete cafeetje El Refugio, koffie zit te drinken met Ignacio Perez Borrel himself. Maar al snel raak ik verzonken in zijn prachtige verhalen. Hij vertelt over zijn leven. Dat hij naar een optreden ging in Spanje. Hoe hij bij terugkomst gevangen werd genomen. Over zijn angsten. Zijn huwelijk. Zijn dochters. Even wordt hij emotioneel en ik voel me meteen schuldig dat ik zo ongegeneerd aan zijn lippen hang.

Maar het is OK. Zelfs zó OK dat hij aanbiedt om Congris voor me te koken, om verder in te gaan op mijn oneindige lijst met vragen.
Zo volgen er nog vele koffiemomenten, wandelingen en optredens met flessen van zijn favoriete rode wijn (‘Goed voor mijn hart’).
En dan, plotseling, zomaar, op een mooie dag als we in het park zitten, kijkt hij me aan, knijpt me in mijn arm en zegt:
‘Te quiero, Carolina’.
Ik schrik een beetje. Te quiero? Nu weet ik dat Latino’s vrij gemakkelijk hun liefde uiten, maar mijn Hollandse nuchterheid klopt even op de deur. Hoe ziet hij onze relatie eigenlijk? Net als ik, als een bijzondere vriendschap of is er meer? Ik weet niet wat ik moet zeggen.

Maanden later zit ik in Nederland achter m’n laptop. Door de boxen van mijn cd-speler klinkt Ignacio: ‘T’extraño, t’extraño amor.’ Zijn schorre stem raakt me plotseling recht in mijn hart. Ik mis hem ook! Spontaan open ik mijn mail, ik heb hem simpelweg één ding te zeggen:
‘Ignacio, Te quiero.’