Het Colombiaanse leven – Eten, bidden en… dansen

In Colombia is iedereen verslaafd aan coke, er wordt dagelijks een onschuldige ziel voor je neus doodgeschoten en niemand is te vertrouwen. Dat is zo ongeveer het beeld dat veel mensen hebben van dit Zuid-Amerikaanse land. Terecht? Ja en nee. Het land heeft vele gezichten en er is veel ellende, criminaliteit en corruptie. Maar haar inwoners zijn ongelofelijk vriendelijk, inventief & positief, de natuur is adem-bene-mend en als je het mij vraagt kan je nergens (behalve in Cuba) zo heerlijk dansen als in Colombia. 

De slogan van het toeristenbureau speelt slim in op de heersende angst voor het land: El unico riesgo es que te quieras quedar. Het enige risico is dat je wilt blijven. Klopt. Want je raakt gemakkelijk bevriend met de lieve mensen, merkt dat die onschuldige zielen gepassioneerd léven en ontdekt al snel dat de meeste mensen gewoon te vertrouwen zijn. En anders heb je altijd nog de optie: bidden. Want katholiek zijn ze, de Colombianen! De uitdrukking Gracias a Dios (godzijdank), vliegt je om de oren.

Salsa, salsa, salsa
Het begon allemaal met een kop koffie op een zonnige patio in een van de smalle straatjes van San Antonio in Cali. Een pittoresk, koloniaal wijkje, midden in deze vieze en drukke industriestad. Naar Cali ga je dan ook niet voor de schoonheid van de stad, maar voor de salsa. Want naast rook van alle fabrieken, ademt Cali de hele dag salsa; in de supermarkt, in de taxi, op straat, bij de apotheek, overal. En dat is precies de reden dat ik hier ben.

Als je je een jaar in een land wilt settelen, moet je nieuwe gewoontes, moves en woorden aanleren

Todo está aquí
Op mijn aankomstdag vertelt Claudia, bij wie ik een kamer huur, me onder het genot van die koffie alles over de beste salsascholen in de buurt. Claudia heeft haar huis deels verbouwd tot B&B. Zo ontmoeten wij – de Colombiaanse Camilo, Duitse Robert, Amerikaanse Steve en ik – dagelijks niet alleen vrienden en familie van Claudia, maar ook reizigers uit alle hoeken van de wereld met wie we etend, filosoferend en dansend de patio delen. Ik voel me al snel thuis. San Antonio is een rustige, mooie, kleurrijke vlek in een rommelige stad. Deze misschien 10 blokken grote wijk voelt als een dorp; je haalt je groente en fruit bij vrolijke Manuel (alleen al voor de wonderlijke vruchten moet je naar dit land), luncht traditioneel bij El Zaguan (in Colombia eet je ’s middags warm), drinkt koffie bij Cafe Macondo (goede koffie is niet makkelijk vindbaar, de beste bonen worden geëxporteerd) en belt aan bij dokter John als je acetaminofen nodig hebt (de Colombiaanse paracetamol). Lekker overzichtelijk. Alleen als je naar een supermarkt wilt, moet je ‘naar de overkant’. Zo zijn de Britse Caroline en ik het gaan noemen. Want daar is het rauwe Cali. Sinds ik haar ontmoette, gaan we elke vrijdag de loopbrug over voor onze grote boodschappen – en een nieuw salsajurkje natuurlijk – om het centrum vervolgens de rest van de week te vermijden. Het is er vol en vies: drukke straten met toeterende auto’s gitzwarte rook uitpuffend, krioelende mensen voor en achter kraampjes volgestouwd met koopwaar. Geen mooie inheemse producten, maar kunststof schoenen voor 2.500 Pesos (1 Euro) en magische crèmes die je rondingen ronder zouden maken. Het is om gek van te worden, en toch heeft het iets, dit soort plekken. Voor een kwartiertje. Je zou het namelijk net zo goed authentiek kunnen noemen.
Ook als je naar een salsaclub wilt moet je San Antonio verlaten. Gelukkig maakt salsadanser Ricardo regelmatig een tussenstop bij Café Tostaki (een snel uitgesproken Todo está quí, ‘Hier ontbreekt niets’) om las dos Carolinas op te halen voor een dansje  – zo noemen ze ons hier.

Go local
Als je je een tijdje in een land wilt settelen, moet je nieuwe gewoontes en woorden aanleren. Zo legt Claudia me uit dat je nooit je tas op de grond moet zetten. ‘Brengt ongeluk!’ Camilo leert me Colombiaanse woorden, zoals bacano (gaaf, cool), parcero (vriend, maatje) en vaina (ding, manier) en dat je bij wijze van hoe-gaat-ie ‘Qúe más?’ zegt (letterlijk: ‘Wat nog meer?’). Volgens huisgenoot Steve (en volgens de boekjes) wonen in Cali de mooiste vrouwen van het land. Ze zijn prachtig, zeker, maar helaas met veel chirurgisch aangebracht billen en borsten. Tenslotte heeft Robert me ook iets te leren: zelfs in San Antonio verkopen ze zuurdesembrood. Belangrijk voor een Duitser natuurlijk. De rest van de Colombiaanse gewoontes rijmen perfect met de Latijns-Amerikaanse cultuur, dus ik hoef niet meer te oefenen met niet-zo-stipt-op-tijd komen, een zoen in plaats van een hand bij ontmoetingen en niet te direct zijn.

‘Gracias a Dios’, denk ik – om mijn blijdschap op de nationale manier uit te drukken :)

Ontmoeting
Op een willekeurige donderdag lig ik lekker heen en weer te wiegen in de hangmat in de namiddagzon op de patio. En dan is daar een fotograaf uit Bogotá. Met zijn zwarte krullen en diepbruine ogen gaat hij tegenover mijn hangmat zitten. Terwijl hij zijn doordringende blik geen seconde loslaat, kletsen we totdat het donker wordt. Ik heb al snel door dat hij geen ‘standaard Latino’ is. Latijns-Amerikaanse mannen zijn nu eenmaal vaak vrouwenversierders, zo worden ze opgevoed. Maar deze man lijkt anders. Hij is alternatief. Géén gladde praatjes, maar een serieus gesprek. Hij heeft gestudeerd, ownt zijn eigen fotostudio, luistert naar muziek búiten zijn continent en weet meer van kunst, geschiedenis en de wereld dan een gemiddelde wetenschapper.

Dus ik app:
– Caro, ik neem vanavond iemand mee. 21.00 uur bij Tostaki?
– Can’t wait!

Om 21:10 uur houdt hij de zware, houten voordeur voor me open, die ik zoals altijd dubbel op slot draai met de even zo zware sleutel. Er waait een zwoel briesje, vol belofte. Deze avond gaan we met een groepje mensen naar Topa Tolondra, een van mijn favoriete salsaclubs: zo’n oude, donkere tent, vol met foto’s van beroemde salseros aan de afgebrokkelde stenen muren, waar de hele nacht wordt gedanst. De fotograaf blijkt hij niet zo’n salsadanser te zijn zoals de meeste mannen uit deze regio. Dat komt door zijn roots in Chiquinquira, een klein dorpje, waar ze meer folklore dansen dan salsa. Ik besef dat dat maakt tot wie hij is; niet zo’n versierder zoals de Caleños, de mannen uit Cali. ‘Gracias a Dios’ denk ik – om mijn blijdschap maar op de nationale manier uit te drukken :)

Cali of Bogotá?
Als hij de volgende dag vertrekt, zwaai ik de gele taxi na totdat hij om de hoek van de straat verdwijnt. Zal ik hem ooit nog zien? Zodra ik in de hangmat ben genesteld, komt Claudia aangesneld: ‘Komt hij nog terug?’ Dezelfde avond heb ik een uitgebreide mail van hem en twee weken later pakt hij het vliegtuig naar Cali. Een maand daarna opnieuw. We eten smeuïge muffins bij Zahavi, kijken oude films bij Macondo, bezoeken het filmmuseum Caliwood, slenteren door de straatjes van San Antonio en dansen bij Tin Tin Deo, Zaperoco, Topa en Las Brisas. Wie weer zoek ik hem hierna op in Bogotá.

Advertenties