Het Colombiaanse leven – Eten, dansen en… dansen

In Colombia is iedereen aan de coke, elke dag wordt er een onschuldige ziel voor je neus doodgeschoten en niemand is te vertrouwen. Dat is ongeveer het beeld dat men vaak heeft van dit Zuid-Amerikaanse land. Terecht? Ja en nee. Ja, het land heeft vele gezichten en er is veel ellende. Maar de mensen zijn ongelofelijk vriendelijk, open en positief, de natuur is waanzinnig en het is een land van dansen, dansen en dansen. 

De slogan van het toeristenbureau speelt slim in op de heersende angst voor het land: El unico riesgo es que te quieras quedarHet enige risico is dat je wilt blijven. Klopt. Want je raakt gemakkelijk bevriend met de mensen (zonder cocaïne), merkt dat die onschuldige zielen bewust kiezen om te léven en ontdekt al snel dat de meeste mensen gewoon te vertrouwen zijn.

Salsa, salsa, salsa
Het begon allemaal met een kop koffie op een zonnige patio in een van de smalle straatjes van San Antonio in Cali. Een pittoresk, koloniaal wijkje, midden in deze industriestad. Maar naar Cali ga je dan ook niet voor de schoonheid van de stad, maar voor de salsa. En als je van salsa houdt, is architectuur van ondergeschikt belang. Want naast rook van alle fabrieken, ademt Cali de hele dag salsa; in de supermarkt, in de taxi, op straat, bij de apotheek, overal. En dat is precies de reden dat ik hier ben.

Als je je een jaar in een land wilt settelen, moet je nieuwe gewoontes, moves en woorden aanleren

Todo está aquí
Op mijn aankomstdag vertelt Claudia, bij wie ik een kamer huur voor een paar maanden, me onder het genot van die koffie alles over de beste salsascholen in de buurt. Claudia heeft haar huis deels verbouwd tot B&B. Zo ontmoeten wij – de Colombiaanse Camilo, de Duitse Robert, de Amerikaanse Steve en ik – dagelijks niet alleen vrienden en familie van Claudia, maar ook reizigers uit alle hoeken van de wereld met wie we etend, filosoferend en dansend de patio delen. Ik voel me al snel thuis. San Antonio is een rustige, mooie, kleurrijke vlek in een rommelige stad. Het voelt als een dorp; je haalt je groente en fruit bij Manuel (alleen al voor de wonderlijke vruchten moet je naar Colombia), eet traditionele lunches bij El Zaguan (Colombianen eten ’s middags warm, vaak buiten de deur), drinkt goede koffie bij Macondo (niet altijd makkelijk vindbaar, de beste koffiebonen worden geëxporteerd) en belt aan bij apotheker John als je acetaminofen nodig hebt (de Colombiaanse paracetamol). Lekker overzichtelijk. Alleen als je naar een supermarkt wilt, moet je ‘naar de overkant’. Zo zijn de Britse Caroline en ik het gaan noemen. Want daar is het rauwe Cali. Sinds ik haar ontmoette, gaan we elke vrijdag de loopbrug over voor onze grote boodschappen – en een nieuw salsajurkje natuurlijk – om het centrum vervolgens de rest van de week te vermijden. Het is er vol en vies: drukke straten met toeterende auto’s gitzwarte rook uitpuffend, krioelende mensen voor en achter kraampjes volgestouwd met koopwaar. Geen mooie inheemse producten, maar kunststof schoenen voor 2.500 Pesos (1 Euro) en magische crèmes die je rondingen ronder zouden maken. Het is om gek van te worden, en toch heeft het iets, dit soort plekken. Voor een kwartiertje. Je zou het namelijk net zo goed authentiek kunnen noemen als de inheemse marktjes. Ook als je naar een salsaclub wilt moet je San Antonio verlaten. Gelukkig maakt salsadanser Ricardo regelmatig een tussenstop bij café Tostaki (een snel uitgesproken Todo está quí. ‘Hier ontbreekt niets’) om las dos Carolinas op te halen voor een dansje  – zo noemen ze ons hier in de wijk.

Go local
Als je je een jaar in een land wilt settelen, moet je nieuwe gewoontes, moves en woorden aanleren. Zo legt Claudia me uit dat je nooit je tas op de grond moet zetten. ‘Brengt ongeluk!’ Als ik mijn salsaleraar Victor uitleg dat er in Europa vooral met hoofd en armen wordt gedanst, laat hij me zien dat het in Colombia gaat om heupen en voetenwerk. Camilo leert me Colombiaanse woorden, zoals bacano (gaaf, cool), parcero (vriend, maatje) en vaina (ding, manier) en de hoe-gaat-ie-groet ‘Qúe más?’ (‘Wat nog meer’). Volgens huisgenoot Steve (en volgens de boekjes) wonen in Cali de mooiste vrouwen van het land. Ze zijn prachtig, zeker, maar helaas met veel chirurgisch aangebracht billen en borsten. Ook Robert heeft me iets te leren, namelijk dat ze in San Antonio zelfs zuurdesembrood verkopen (belangrijk voor een Duitser natuurlijk). De rest van de Colombiaanse gewoontes rijmen perfect met de Latijns-Amerikaanse cultuur, dus ik hoef niet meer te oefenen met niet-zo-stipt-op-tijd komen, een zoen in plaats van een hand bij ontmoetingen en niet al te direct zijn. Dat gaat inmiddels vanzelf.

‘Gracias a Dios’, denk ik – om mijn blijdschap maar op de nationale manier uit te drukken :)

Ontmoeting
Op een willekeurige donderdag lig ik lekker heen en weer te wiegen in de hangmat, zoals ik iedere dag doe in de namiddagzon op de patio. En dan is daar die man… een fotograaf uit Bogotá. Met zijn zwarte krullen en diepbruine ogen gaat hij tegenover mijn hangmat zitten. Terwijl hij zijn doordringende blik geen seconde loslaat, kletsen we totdat het donker wordt. Ik heb al snel door dat hij geen ‘standaard Latino’ is. Latijns-Amerikaanse mannen zijn nu eenmaal vaak vrouwenversierders, zo worden ze opgevoed. Maar deze man lijkt anders. Gestudeerd, eigen fotostudio, luistert naar muziek búiten zijn continent en weet meer van kunst, geschiedenis en de wereld dan een gemiddelde wetenschapper. Dit in combi met het ontbreken van gladde praatjes maakt hem interessant. Dus ik app:

– Caro, ik neem vanavond iemand mee. 21.00 uur bij Tostaki?
– Can’t wait!

Om 21:10 uur houdt meneer fotograaf de zware, houten voordeur voor me open, die ik vervolgens zoals altijd dubbel op slot draai met de even zo zware sleutel. Er waait een zwoel briesje. Deze avond gaan we met een groepje mensen naar Topa Tolondra, een van mijn favoriete salsaclubs: zo’n oude, donkere tent, vol met foto’s van beroemde salseros aan de afgebrokkelde stenen muren, waar de hele nacht wordt gedanst. We hebben het fijn, al blijkt hij niet zo’n salsadanser te zijn als de meeste mannen uit deze regio. Dat komt door zijn roots in Chiquinquira, een klein dorpje, waar ze meer folklore dansen dan salsa. Ik besef dat dat maakt tot wie hij is; niet zo’n versierder zoals de Caleños, de mannen uit Cali. ‘Gracias a Dios’ (godzijdank), denk ik – om mijn blijdschap maar op de nationale manier uit te drukken :)

Afscheid
Als hij de volgende dag vertrekt, zwaai ik de gele taxi na totdat hij om de hoek van de straat verdwijnt. Zal ik hem ooit nog zien? Zodra ik in de hangmat ben gekropen, komt Claudia komt aangesneld: ‘Komt hij nog terug?’ Dezelfde avond heb ik al een mailtje van hem en twee weken later pakt hij het vliegtuig naar Cali. Een maand daarna opnieuw. Dit keer blijft hij lang. We eten smeuïge muffins bij Zahavi, kijken oude films bij Macondo, bezoeken het filmmuseum Caliwood, slenteren door de straatjes van San Antonio en dansen bij Tin Tin Deo, Zaperoco, Topa en Las Brisas.
Zal ik hem hierna opzoeken in zijn woonplaats Bogotá?

Advertenties

2 gedachten over “Het Colombiaanse leven – Eten, dansen en… dansen”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s