Had ik maar een hoofddoek

women.jpg

Als enige Mzungu in de overvolle wachtruimte van een Tanzaniaans hospitaaltje, ben ik het doelwit van starende blikken. Wat moet die blanke hier in ons dorp? Ondanks dat mijn rode, jeukende oogleden dusdanig zijn opgezet dat mijn blikveld flink wordt beperkt, ontgaat mij niets. De onder hoofddoekjes verstopte wanhoop in de ogen van jonge moeders, hun baby’s stevig in hun armen geklemd. Bezorgde, ijsberende mannen, terwijl dikke zweetdruppels van hun voorhoofd naar beneden glijden. Een jongetje van een jaar of drie dat zijn autootje van wc-rollen over de vloer schuift, tussen alle benen door. ‘Mo’, staat er op zijn shirt.

Van hygiëne kan dit ziekenhuis alleen maar dromen. De vloer is nat en vlekkerig en er hangt een overweldigende stank. Een combinatie van zweet, angst en enge virussen, vermoed ik. Ik word er misselijk van.

Gefascineerd laat ik mijn blik over de grote vellen vergeeld papier gaan, bungelend aan plakbandjes aan de beschimmelde muur. Een roestige ventilator in de hoek blaast ze bijna van de wand. Getekende staafdiagrammen vertellen me hoeveel mensen het afgelopen jaar zijn gestorven aan aids en andere nare ziektes. Ook de anatomie van het menselijk lichaam wordt weergegeven, voorzien van pijltjes met toelichtende woorden in het Swahili. Ontroering maakt zich van mij meester: ik zie verpleegsters voor me, ijverig in de weer met potloden en een liniaal.

Plotseling schudt de dokter me wakker uit mijn gedachten. Roept hij me nu al op? En al die kindjes dan, met ontstoken oogjes, zere knietjes en gluiperige ziektes?
‘No, no’, probeer ik, en kijk vertwijfeld om me heen.
Maar de grote zwarte man in zijn witte jas gebaart dat ik moet komen. Ik voel me uiterst ongemakkelijk en zou het liefst iedereen voor laten gaan, al word ik hysterisch van de jeuk. Vertwijfeld sta ik toch maar op en loop met terneergeslagen ogen langs de rijen houten bankjes. Priemende ogen en een waas felgekleurde hoofddoeken gaan aan me voorbij.

Voordat ik het kamertje binnen ga, kijk ik nog één keer de wachtzaal in. Het jongetje met het auto’tje schenkt me een glimlach. Opnieuw word ik overspoeld door schuldgevoelens. Terwijl ik de deur achter me dicht trek, kijk ik omhoog en doe een schietgebedje naar Allah of het jongetje na mij naar binnen mag. Dan wordt er op de deur geklopt. Daar staat hij, mijn kleine vriend. Hij laat zijn tanden zien en geeft me zijn auto’tje. Ik kijk van het auto’tje naar het jongetje en van het jongetje naar de arts.
‘Dokter, ik ben genezen, Mo is aan de beurt.’

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s